ECLI:NL:CRVB:2005:AU5645
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid tot arbeid
Appellante werd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) op 15 november 2002 geïnformeerd dat zij vanaf 18 november 2002 niet langer wegens ziekte of gebrek ongeschikt was om haar werk als productiemedewerkster te verrichten, waardoor haar recht op ziekengeld werd beëindigd.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 22 januari 2003 werd afgewezen. De rechtbank Breda verklaarde het beroep tegen dit besluit op 8 december 2003 ongegrond. Appellante ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat de verzekeringsartsen een juist medisch oordeel hadden gegeven en dat ook het advies van de huisarts, opgesteld in een letselschadeprocedure, overeenkwam met deze bevindingen. Er waren geen objectiveerbare lichamelijke beperkingen vastgesteld die ongeschiktheid tot werken zouden rechtvaardigen.
Appellante had geen medische bewijsstukken overgelegd die aanleiding gaven te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de onderzoeken. De Raad zag daarom geen reden om een deskundige te benoemen en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante vanaf 18 november 2002 niet langer ongeschikt was voor haar arbeid en geen recht meer had op een Ziektewetuitkering.