ECLI:NL:CRVB:2005:AU5653
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- Rechtspraak.nl
Beëindiging nabestaandenuitkering wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
Appellante ontving een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw) die met ingang van 1 september 1999 werd ingetrokken nadat gedaagde op basis van een anonieme tip en onderzoek vaststelde dat zij samenwoonde met [partner].
De Raad beoordeelde of er sprake was van een gezamenlijke huishouding volgens artikel 3, derde lid, van de Anw. Uit verklaringen van appellante en [partner] bleek dat zij gezamenlijk boodschappen deden, samen aten, vrienden ontvingen, huishoudelijke taken deelden, en samen op vakantie gingen, wat voldoende was voor het criterium van wederzijdse zorg.
Appellante voerde aan dat haar verklaringen onder druk waren afgelegd, maar de Raad verwierp dit omdat de verklaringen ambtelijk zijn vastgelegd en zij deze zelf had ondertekend. Er waren geen dringende redenen om van de hoofdregel af te wijken.
Omdat appellante de gezamenlijke huishouding niet had gemeld, schond zij haar inlichtingenplicht op grond van artikel 35 Anw Pro, wat rechtvaardigde dat de uitkering met ingang van 1 september 1999 werd beëindigd. De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde het besluit tot intrekking.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de nabestaandenuitkering wegens het verzwegen voeren van een gezamenlijke huishouding.