ECLI:NL:CRVB:2005:AU5687

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 oktober 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05-801 ALGEM
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • B.J. van der Net
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 ZiektewetArt. 3 WerkloosheidswetArt. 3 Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzekeringsplicht directeuren-grootaandeelhouders onder sociale verzekeringswetten bevestigd

Appellante, een werving- en selectiebureau, betwistte de verzekeringsplicht van haar directeuren-grootaandeelhouders over de periode 1 januari tot 1 mei 2000. Gedaagde had op grond van een looncontrole premies en een boete opgelegd wegens het aannemen van verzekeringsplicht volgens artikel 3 van Pro de Ziektewet, Werkloosheidswet en Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.

De rechtbank had geoordeeld dat sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking vanwege loon, persoonlijke dienstverrichting en een gezagsverhouding. Appellante voerde in hoger beroep aan dat na februari 2000 geen betalingen meer aan een betrokkene waren gedaan en dat de boete onterecht was omdat zij te goeder trouw had gehandeld.

De Raad overwoog dat het op appellante rustte om bij onzekerheid informatie in te winnen bij gedaagde, en dat het nalaten hiervan de boete rechtvaardigde. Verder stelde de Raad dat directeuren-grootaandeelhouders zonder doorslaggevende stem in de algemene vergadering in beginsel onder gezag van de vennootschap werken, en dat appellante onvoldoende bewijs leverde voor het tegendeel.

De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De opgelegde boete van 25% bleef gehandhaafd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de verzekeringsplicht en handhaaft de opgelegde boete van 25%.

Uitspraak

E N K E L VO U D I G E K A M E R
05/801 ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. F.A.K.J. de Roock, werkzaam bij D.A.S. Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V. te Amsterdam, op bij beroepschrift van
8 februari 2005 aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Groningen op 3 februari 2005 gewezen uitspraak, met kenmerk 03/1038, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een op 10 maart 2005 gedagtekend verweerschrift ingezonden.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 22 september 2005, waar partijen -met voorafgaand schriftelijk bericht- niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
De activiteiten van appellante bestaan uit werving en selectie van financieel, economisch en administratief personeel. Directeuren-grootaandeelhouders [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (hierna ook wel als betrokkenen aangeduid) hebben in de periode in geding, 1 januari 2000 tot 1 mei 2000, via hun vennootschappen ieder 29% van de aandelen van appellante in handen. De overige aandelen zijn in handen van [naam BV] (42%). Naar aanleiding van een bij appellante uitgevoerde looncontrole heeft gedaagde voor betrokkenen verzekeringsplicht op grond van artikel 3 van Pro de Ziektewet, de Werkloosheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering aangenomen. Bij besluit van 25 juni 2003 heeft gedaagde een correctienota over 2000 aan appellante opgelegd en bij besluit 30 juni 2003 heeft gedaagde een boetenota over 2000 aan appellante opgelegd. Bij besluit van 19 september 2003 heeft gedaagde de door appellante gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat onbetwist zijn gebleven de elementen loon en persoonlijke dienstverrichting en dat voldaan is aan de overige voorwaarde voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, te weten de aanwezigheid van een gezagsverhouding, zodat gedaagde op grond van artikel 3 van Pro voornoemde sociale werknemersverzekeringswetten ter zake van de door appellante aan betrokkenen verrichte betalingen terecht premieplicht heeft aangenomen.
Met betrekking tot de boete heeft de rechtbank geoordeeld dat haar niet gebleken is dat gedaagde de betreffende regelgeving niet juist heeft toegepast.
Appellante kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en heeft in hoger beroep ter onderbouwing van haar standpunt aangevoerd dat de premienota over 2000 niet juist is vastgesteld, omdat er na februari 2000 geen betalingen meer aan [betrokkene 1] zijn gedaan. Voorts is appellante van mening dat de boetenota niet opgelegd had mogen worden omdat zij immer ter goeder trouw heeft gehandeld en er derhalve geen sprake is van opzet of grove schuld.
In dit geding moet de vraag worden beantwoord of gedaagde terecht heeft aangenomen dat tussen de betrokkenen en appellante een arbeidsverhouding heeft bestaan die verplichte verzekering op grond van artikel 3 van Pro de genoemde sociale werknemers-verzekeringswetten heeft meegebracht. In het bijzonder spitst het geding in hoger beroep zich toe op het antwoord op de vraag of betrokkenen hun werkzaamheden hebben verricht onder gezag van appellante.
De Raad overweegt het volgende.
De Raad kan zich verenigen met hetgeen de rechtbank met betrekking tot de hierboven geformuleerde vraag heeft overwogen en verwijst naar de overwegingen die de rechtbank gebezigd heeft. Ten aanzien van de voorwaarde van het bestaan van een gezagsverhouding benadrukt de Raad dat, indien een directeur/aandeelhouder van een vennootschap in verband met de statutaire bepalingen en de eigendomsverhouding met betrekking tot de aandelen, in de algemene aandeelhoudersvergadering geen doorslaggevende stem heeft op de benoeming, de schorsing en -in het bijzonder- het ontslag van directeuren, in beginsel moet worden aangenomen dat hij of zij werkzaam is in een gezagsrelatie tot de vennootschap. Ofschoon niet valt uit te sluiten dat er sprake kan zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet aannemelijk is dat een dergelijke gezagsuitoefening zal plaatsvinden ten aanzien van een directeur/aandeelhouder die geen doorslaggevende stem heeft in de algemene vergadering van aandeelhouders, is de Raad te dezen van oordeel dat er onvoldoende materiële aanwijzingen bestaan om een zodanige uitzonderingssituatie aanwezig te achten. Evenmin sluit de wijze van samenwerking binnen de onderneming uit dat in een conflictsituatie waarin de onderscheiden belangen aanzienlijk minder met elkaar in overeenstemming zouden blijken te zijn betrokkenen tegen hun wil ontslagen kunnen worden.
Daarnaast is de Raad van oordeel dat appellante ook in hoger beroep geen onderbouwing heeft gegeven voor haar stelling dat [betrokkene 1] in de periode in geding geen aanspraak heeft gemaakt op zijn managementvergoeding.
Wat betreft de opgelegde boete van 25% is de Raad van oordeel dat het op de weg van appellante had gelegen om zich bij onzekerheid omtrent het antwoord op de vraag of er sprake is van verzekeringsplicht van directeuren tot gedaagde te wenden teneinde nader geïnformeerd te worden. Indien de werkgever zulks nalaat neemt hij het risico onjuiste loonopgave te doen. In zulk een geval is de kwalificatie opzet/grove schuld van toepassing, zodat de opgelegde boete van 25% uitdien hoofde gerechtvaardigd is. De Raad ziet ook overigens geen grond de opgelegde boete voor onjuist te houden.
Uit vorenstaande overwegingen volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2005.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) R.E. Lysen.
JK/12105