ECLI:NL:CRVB:2005:AU5904
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking WAZ-uitkering wegens onvoldoende motivering geschiktheid maatgevende arbeid
Appellant, een voormalig zelfstandig melkveehouder en agrariër, kreeg sinds 1986 een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de toen geldende AAW, later WAZ, vanwege een bedrijfsongeval in 1985 met gedeeltelijke amputatie van zijn rechterwijsvinger. In 2001 trok het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) de WAZ-uitkering in omdat appellant volgens hen minder dan 25% arbeidsongeschikt was en geschikt voor zijn maatgevende arbeid.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het Uwv werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat de arbeidskundige beoordeling onvoldoende rekening hield met de beperkingen door koude en nattigheid en dat mechanisatie van het spruitenplukken niet volledig was. De Raad stelde vast dat de beperkingen medisch onveranderd waren gebleven en dat de hulpmiddelen onvoldoende waren om deze te ondervangen.
De Raad oordeelde dat het besluit niet deugdelijk was gemotiveerd, mede gelet op verklaringen van deskundigen en betrokkenen over de arbeidsomstandigheden. Het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank werden vernietigd. Het Uwv moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het Uwv veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAZ-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, en het Uwv moet een nieuw besluit nemen.