ECLI:NL:CRVB:2005:AU5910
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Beoordeling maatmanfunctie en maatmaninkomen bij WAO-uitkeringsweigering
Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), weigerde een WAO-uitkering aan gedaagde toe te kennen omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht na afloop van de wachttijd. De maatmanomvang en het maatmaninkomen werden door appellant vastgesteld als het gemiddelde van de in de referteperiode gewerkte uren en het uurloon van drie opvolgende functies.
Gedaagde stelde dat alleen de laatst verrichte functie als maatman geldt, inclusief de bijbehorende uren en verdiensten. De rechtbank Arnhem oordeelde dat de laatst verrichte functie niet als maatman kan gelden indien deze van meet af aan ongeschikt was, maar vond onvoldoende indicaties dat dit bij gedaagde het geval was. De rechtbank achtte de maatmanfunctie de functie van medewerkster personeelszaken.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel en verwierp het standpunt van appellant dat ook de tijdelijk overgenomen loonadministratieve werkzaamheden tot de maatman behoren. De Raad vond geen feiten die aantonen dat de maatmanfunctie van meet af aan ongeschikt was voor gedaagde. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en appellant werd veroordeeld in de proceskosten van gedaagde.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.