ECLI:NL:CRVB:2005:AU5933
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- M.C.M. van Laar
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Verzekeringsplicht parketleggers en zelfstandigheid in sociale zekerheidsrecht
In deze zaak staat centraal of de werkzaamheden van vier parketleggers voor appellante in de zelfstandige uitoefening van een beroep zijn verricht, dan wel dat sprake is van een dienstbetrekking gelijkgestelde arbeidsverhouding die verzekeringsplicht tot gevolg heeft.
De rechtbank had het beroep van appellante gegrond verklaard voor één parketlegger, maar afgewezen voor drie anderen. Appellante betwistte dit in hoger beroep en voerde onder meer aan dat de Belastingdienst voor twee parketleggers verklaringen arbeidsrelatie had afgegeven die zelfstandigheid bevestigen.
De Raad overweegt dat verzekeringsplicht rechtstreeks uit de wet voortvloeit en dat beginselen als gelijkheids- en vertrouwensbeginsel hierbij geen rol spelen, tenzij premies worden geheven. De Raad bevestigt dat één parketlegger, die lang in dienst was en daarna nauwelijks zelfstandigheid toonde, verzekeringsplichtig is. Voor twee parketleggers oordeelt de Raad dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig was, omdat niet is nagegaan of zij ook andere opdrachtgevers hadden en wat hun totale inkomen was. Daarom vernietigt de Raad de besluiten voor deze twee en beveelt nieuw onderzoek.
De Raad veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante en bepaalt dat nieuwe besluiten op bezwaar moeten worden genomen met inachtneming van deze uitspraak.
Uitkomst: Besluiten over verzekeringsplicht van twee parketleggers vernietigd en nieuw onderzoek bevolen.