ECLI:NL:CRVB:2005:AU6060

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 november 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05-781 ANW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. van Leeuwen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 4:6 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing hernieuwde aanvraag nabestaandenuitkering wegens ontbreken nieuwe feiten

Appellante heeft een hernieuwde aanvraag ingediend voor een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW). De Sociale verzekeringsbank heeft deze aanvraag afgewezen omdat er geen sprake was van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden sinds het eerdere, onherroepelijke afwijzingsbesluit uit 1996.

De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante tegen deze afwijzing ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat omstandigheden rondom een echtscheidingsprocedure, waarbij zij afzag van alimentatie, nieuwe feiten zouden zijn. De Raad oordeelde echter dat dit geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn in de zin van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

De Raad concludeerde dat de Sociale verzekeringsbank terecht de aanvraag heeft afgewezen zonder toepassing van artikel 4:5 Awb Pro. Ook andere aangevoerde gronden van appellante konden het bestreden besluit niet aantasten. De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en verklaarde het hoger beroep ongegrond.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de hernieuwde aanvraag nabestaandenuitkering wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
05/781 ANW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4, en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voor zover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Bij besluit van 5 juni 2003 heeft gedaagde geweigerd het besluit van 9 december 1996 te herzien wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.
Het bezwaar dat appellante tegen dat besluit heeft gemaakt, heeft gedaagde bij het bestreden besluit van 24 september 2003 ongegrond verklaard.
De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 29 december 2004 (registratienummer 03/4973 ANW) het namens appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Op de in een aanvullend beroepschrift vermelde gronden heeft appellante bij gemachtigde R. Smit, financieel planner en scheidingsbemiddelaar te Landsmeer, tegen bovengenoemde uitspraak hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 30 september 2005, waar appellante in persoon is verschenen met bijstand van R. Smit, voornoemd, als haar raadsman en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door H.J.M. de Wit, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank
II. MOTIVERING
In artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan het bestuursorgaan, wanneer bij de aanvraag geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van Pro de Awb de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.
Bij besluit van 9 december 1996 heeft gedaagde afwijzend beslist op een aanvraag van appellante om een nabestaandenuitkering krachtens de Algemene nabestaandenwet (ANW). Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden. Gedaagde heeft aangenomen dat namens appellante op 18 februari 2003 een nieuwe aanvraag om een nabestaanden-uitkering is ingediend. In dat verband is een uit 1991 daterend stuk overgelegd, waaruit blijkt dat appellante zich in het kader van de echtscheidingsprocedure destijds onder bepaalde voorwaarden bereid heeft verklaard af te zien van het vorderen van alimentatie. Daarbij gaat het echter niet om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb, aangezien moet worden aangenomen dat de afwijzing van haar aanvraag om een uitkering krachtens de Anw destijds juist heeft plaatsgevonden op grond van het ontbreken van een verplichting tot alimentatie.
Gedaagde was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb de aanvraag af te wijzen op de in het bestreden besluit genoemde gronden. In hetgeen door appellante is gesteld ziet de Raad geen grond te oordelen dat gedaagde niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.
Het vorenstaande betekent tevens dat al hetgeen van de kant van appellante overigens is aangevoerd met betrekking tot de achtergronden en beweegredenen van het niet vorderen van alimentatie ter bestrijding van de juistheid van het bestreden besluit reeds op grond van het vorenstaande geen doel kan treffen.
De Raad acht tenslotte in het onderhavige geval geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Awb.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat dient te worden beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter in tegenwoordigheid van mr. M.B.M. Vermeulen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2005.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
BKH