ECLI:NL:CRVB:2005:AU6188
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- G. van der Wiel
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugwerkende kracht AAW-uitkering bij verlate aanvraag zonder bijzondere omstandigheden
Appellant verzocht om een AAW-uitkering met terugwerkende kracht vanaf een eerder tijdstip dan de door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) toegekende datum. De Raad beoordeelde of sprake was van bijzondere omstandigheden die een verdere terugwerkende kracht rechtvaardigen volgens artikel 25, tweede lid, van de AAW.
Uit de feiten blijkt dat appellant reeds vanaf begin jaren tachtig psychische klachten had en regelmatig medische hulp zocht, waaronder psychiatrische behandeling. Tevens verrichtte hij werkzaamheden en ontving bijstandsuitkeringen, wat erop wijst dat hij in staat was zijn belangen te behartigen.
De Raad concludeerde dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door zijn aandoening buiten staat was eerder een aanvraag in te dienen. Er zijn geen medische gegevens die aantonen dat hij niet adequaat zijn belangen kon behartigen. Daarom is geen sprake van een bijzonder geval dat rechtvaardigt dat de uitkering met terugwerkende kracht wordt toegekend vanaf een datum eerder dan één jaar voor de aanvraag.
Het hoger beroep van appellant wordt afgewezen en de eerdere uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De Raad ziet geen grond voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb en handhaaft het besluit van het UWV.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot toekenning van de AAW-uitkering met ingang van 22 november 1988 wordt bevestigd.