ECLI:NL:CRVB:2005:AU6382
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- M.C.M. van Laar
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Matiging van boetes wegens overschrijding redelijke termijn en geen schending ne bis in idem
Appellante werd geconfronteerd met boetenota's van 100% van correctienota's over de jaren 1995-1997 na een looncontrole in 1998. De rechtbank Amsterdam vernietigde eerdere besluiten over boetenota's en correcties, maar liet de primaire boetenota's van januari 1999 in stand. Gedaagde handhaafde deze boetes in een nieuw besluit op bezwaar van augustus 2002, waarna appellante hoger beroep instelde.
Appellante voerde aan dat het opleggen van boetes in strijd was met het ne bis in idem-beginsel en de verjaringstermijn van vijf jaar, en dat de boetes disproportioneel waren vanwege het ontbreken van opzet of grove schuld. Tevens stelde zij dat de redelijke termijn voor behandeling was overschreden in strijd met artikel 6 EVRM Pro.
De Raad oordeelde dat de primaire boetenota's niet vernietigd waren en dus geldig bleven, waardoor het ne bis in idem-beginsel en verjaring niet werden geschonden. De Raad stelde vast dat appellante bewust of bewust had moeten zijn van onjuiste loonopgaven, en dat sprake was van ernstige fraude. De boetes van 100% werden niet als onevenredig beschouwd.
Echter, gelet op het tijdsverloop van ruim zeseneenhalf jaar tussen aankondiging en definitieve beslissing, werd de redelijke termijn overschreden. Daarom matigde de Raad de boetes met 50%. Tevens veroordeelde de Raad gedaagde in de proceskosten van appellante en bepaalde de vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: De boetes worden met 50% gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn, zonder schending van het ne bis in idem-beginsel.