ECLI:NL:CRVB:2005:AU6383

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 november 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/371 CSV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenInvoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenWerkloosheidswetZiektewetWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit over gezagsverhouding zetschippers bij exploitatie zeilschip

Appellante exploiteert een zeilschip en maakt bij ziekte of vakantie gebruik van zogeheten zetschippers. De administratief controleur concludeerde dat deze zetschippers in dienstbetrekking werkzaam zijn, wat leidde tot correctienota’s en boetenota’s. Het bestreden besluit handhaafde deze besluiten.

Appellante betwistte in hoger beroep dat er sprake is van een gezagsverhouding tussen haar en de zetschippers. De Raad overwoog dat de zetschippers volgens opdrachten van het boekingsbureau varen, maar dat dit niet voldoende is om een gezagsverhouding aan te nemen. Het feit dat appellante eindverantwoordelijk is voor schip en opvarenden sluit een overeenkomst van opdracht niet uit.

De Raad verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat een nieuw besluit moet worden genomen. Tevens werd gedaagde veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht aan appellante vergoed.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens onvoldoende bewijs van gezagsverhouding.

Uitspraak

04/371 CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante heeft J.J. Tabak, werkzaam bij de Fiscount Adviesgroep te Zwolle, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen gewezen uitspraak van de rechtbank Groningen van 8 december 2003, kenmerk 02/141.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 20 januari 2005 zijn namens appellante nadere stukken ingezonden, waarop gedaagde desgevraagd heeft gereageerd bij brief van 9 maart 2005.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 14 juli 2005. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door J.J. Tabak, voornoemd. Gedaagde is, na voorafgaande mededeling, niet verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten.
Appellante exploiteert het zeilschip [naam zeilschip], een klipper die deel uitmaakt van de zogeheten bruine vloot en waarmee chartertochten op de Nederlandse binnenwateren gemaakt worden. De boekingen voor deze tochten vinden plaats bij boekingskantoor [naam boekingskantoor]. Doorgaans is appellante zelf schipper, maar zij maakt bij ziekte of vakantie ook gebruik van de diensten van zogeheten zetschippers. Tijdens een op 21 september 2000 uitgevoerde looncontrole heeft de administratief controleur geconcludeerd dat deze zetschippers in dienstbetrekking werkzaam zijn. Dit heeft geleid tot correctienota’s d.d. 19 december 2000 over de jaren 1995 tot en met 1999 en tot boetenota’s d.d. 25 december 2000 over de jaren 1997 tot en met 1999. Bij besluit op bezwaar van 27 december 2001 (hierna: het bestreden besluit) zijn deze besluiten gehandhaafd. De rechtbank heeft het standpunt van gedaagde onderschreven.
In hoger beroep heeft appellante gemotiveerd betwist dat de zetschippers werkzaam zijn in gezagsverhouding.
De Raad overweegt als volgt.
In het looncontrolerapport van 26 september 2000 is onder meer het volgende vermeld:
“Naar de mening van de administratief controleur vaart de zetschipper uitsluitend volgens opdrachten die de eigenaar met het boekingsbureau heeft afgesloten. Hierin zijn onder meer vastgesteld de aankomst- en vertrektijden en de bestemmingen die moeten worden aangedaan. Uiteraard heeft de zetschipper in verband met de weersomstandigheden de mogelijkheid om af te wijken van het reisprogramma. Daarnaast is het aannemelijk dat de werkgever/eigenaar richtlijnen heeft opgesteld voor de bedrijfsvoering van het schip. Op grond hiervan wordt geacht een gezagsverhouding aanwezig te zijn.”
Niet alleen in bezwaar, maar ook in (hoger) beroep en ter zitting van de Raad heeft appellante consequent betoogd dat de zetschippers in overleg met de opvarenden de vaarroute met aankomst- en vertrektijden bepalen. Zij heeft daarmee geen enkele bemoeienis.
Tevens heeft appellante stelselmatig ontkend dat er sprake is van door haar opgestelde richtlijnen voor de bedrijfsvoering van het schip. Ook ter zitting van de Raad heeft zij in dat verband verklaard dat zij de gang van zaken helemaal overlaat aan de zetschipper die op dat moment het schip vaart.
De Raad kan, gezien het voorgaande, niet anders dan concluderen dat gedaagde er niet in is geslaagd in voldoende mate aannemelijk te maken dat er sprake is van een gezagsverhouding tussen appellante en de door haar aangetrokken zetschippers. Dat appellante eindverantwoordelijk blijft voor zowel het schip als de opvarenden en dat de werkzaamheden van de zetschippers een wezenlijk onderdeel uitmaken van de bedrijfsvoering, zoals gedaagde in het bestreden besluit heeft vermeld, maakt dat niet anders. Deze feiten sluiten immers niet uit dat sprake is van een overeenkomst van opdracht.
Het voorgaande betekent dat de grondslag komt te ontvallen aan zowel de correctienota’s als de boetenota’s. De aangevallen uitspraak kan dan ook geen stand houden, het beroep moet gegrond worden verklaard en het bestreden besluit moet worden vernietigd.
De Raad heeft tevens aanleiding gezien gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante. In beroep en in hoger beroep zijn deze kosten begroot op telkens
€ 644,-- in verband met verleende rechtshulp.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat gedaagde met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit neemt op het bezwaar van appellante;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante, begroot op € 1288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellante betaalde griffierecht ad € 116,-- aan haar vergoedt.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. R.C. Stam en mr. C.G.M. van Rijnberk als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 november 2005.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) M. Renden.