ECLI:NL:CRVB:2005:AU6449
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Toewijzing verzoek tot vergoeding wettelijke rente na herziening WAO-uitkering
Appellante ontving een WAO-uitkering vanaf 14 november 1997, berekend op 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid. In mei 2000 trok het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) deze uitkering met ingang van 17 maart 1998 in wegens een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 15%. Appellante maakte bezwaar tegen deze intrekking, dat in 2002 ongegrond werd verklaard. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep in 2003 gegrond en beval het UWV een nieuw besluit te nemen.
In hoger beroep gaf het UWV aan het oorspronkelijke besluit niet langer te handhaven en bevestigde het de uitkering met ingang van 17 maart 1998 op 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid. Appellante verzocht daarnaast om vergoeding van wettelijke rente over de na te betalen uitkering en proceskosten.
De Raad oordeelde dat het belang bij het beroep was komen te vervallen door het gewijzigde standpunt van het UWV, maar dat het verzoek tot vergoeding van wettelijke rente toewijsbaar was. De Raad veroordeelde het UWV tot betaling van de wettelijke rente en de proceskosten van €322,-, alsmede tot vergoeding van het betaalde griffierecht van €87,- aan appellante.
Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente en proceskosten na handhaving van de WAO-uitkering op 80-100% arbeidsongeschiktheid.