ECLI:NL:CRVB:2005:AU6449

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 november 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/6378 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:73 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot vergoeding wettelijke rente na herziening WAO-uitkering

Appellante ontving een WAO-uitkering vanaf 14 november 1997, berekend op 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid. In mei 2000 trok het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) deze uitkering met ingang van 17 maart 1998 in wegens een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 15%. Appellante maakte bezwaar tegen deze intrekking, dat in 2002 ongegrond werd verklaard. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep in 2003 gegrond en beval het UWV een nieuw besluit te nemen.

In hoger beroep gaf het UWV aan het oorspronkelijke besluit niet langer te handhaven en bevestigde het de uitkering met ingang van 17 maart 1998 op 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid. Appellante verzocht daarnaast om vergoeding van wettelijke rente over de na te betalen uitkering en proceskosten.

De Raad oordeelde dat het belang bij het beroep was komen te vervallen door het gewijzigde standpunt van het UWV, maar dat het verzoek tot vergoeding van wettelijke rente toewijsbaar was. De Raad veroordeelde het UWV tot betaling van de wettelijke rente en de proceskosten van €322,-, alsmede tot vergoeding van het betaalde griffierecht van €87,- aan appellante.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente en proceskosten na handhaving van de WAO-uitkering op 80-100% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/6378 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 21 oktober 1998 heeft gedaagde appellante met ingang van 14 november 1997 een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Bij besluit van 10 mei 2000 heeft gedaagde de WAO-uitkering van appellante met ingang van 17 maart 1998 ingetrokken, onder overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum minder dan 15% was.
Namens appellante is tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 13 maart 2002, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde dit bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 10 november 2003, reg.nr. AWB 02/1584 WAO, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en gedaagde opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen de rechtbank in haar uitspraak heeft overwogen. Gedaagde is veroordeeld tot vergoeding aan appellante van proceskosten en griffierecht.
Namens appellante is mr. R. van Diepen, advocaat te Amsterdam, op bij aanvullend beroepschrift vermelde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 29 september 2005 heeft gedaagde aan de Raad meegedeeld dat het bestreden besluit niet langer wordt gehandhaafd en dat volledig tegemoet wordt gekomen aan de bezwaren van appellante, gericht tegen de beslissing van
21 oktober 1998. Dit heeft gedaagde middels een nieuwe beslissing op bezwaar, gedateerd 29 september 2005, tevens aan appellante meegedeeld.
Namens appellante heeft mr. Van Diepen de Raad meegedeeld dat zij zich kan verenigen met het besluit van 29 september 2005, dat appellantes WAO-uitkering met ingang van 17 maart 1998 onveranderd blijft naar een mate van arbeidsonge- schiktheid van 80 tot 100%. Tevens heeft gemachtigde de Raad verzocht uitspraak te doen over de veroordeling proceskosten en de vergoeding van de schade, die bestaat uit de wettelijke rente over de na te betalen uitkering.
Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven de behandeling van het geding ter zitting van de Raad achterwege te laten.
II. MOTIVERING
Met zijn mededeling van 29 september 2005 heeft gedaagde te kennen gegeven zijn oorspronkelijk ingenomen standpunt niet langer te handhaven. Naar het oordeel van de Raad wordt hiermee geheel aan de grieven van appellante tegemoet gekomen.
Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen, is in dat geval het belang bij het beroep tegen een besluit in principe komen te vervallen, tenzij van een belang blijkt, bijvoorbeeld omdat verzocht is om het toekennen van een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In dit geval is een dergelijk verzoek ingediend.
Gezien het vorenstaande acht de Raad het verzoek tot vergoeding van wettelijke rente toewijsbaar.
Wat betreft de wijze waarop gedaagde de aan appellante toekomende wettelijke rente over de na te betalen uitkering dient te berekenen, volstaat de Raad te verwijzen naar zijn uitspraak, gepubliceerd in JB 1995/314.
Voor wat betreft de proceskosten in hoger beroep acht de Raad termen aanwezig om van de in artikel 8:75 Awb Pro gegeven bevoegdheid gebruik te maken. Gedaagde wordt veroordeeld in de kosten van verleende rechtsbijstand in hoger beroep welke met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn begroot op € 322,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt gedaagde tot vergoeding van schade als hiervoor is aangegeven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten tot een bedrag groot € 322,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het door haar in hoger beroep betaalde griffierecht van € 87,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 november 2005.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.