ECLI:NL:CRVB:2005:AU6768
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na rugklachten
Appellant, een agrarisch medewerker, viel in 1995 uit met rugklachten en kreeg vanaf 1996 een WAO-uitkering op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid. Na herbeoordeling in 2001 concludeerde de verzekeringsarts dat het belastbaarheidspatroon ongewijzigd bleef en dat appellant geen actuele psychische stoornissen vertoonde die tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid zouden leiden.
De arbeidsdeskundige selecteerde passende functies en berekende het verlies aan verdiencapaciteit op 12,8%, wat leidde tot het besluit van 29 augustus 2001 om de WAO-uitkering met ingang van 4 oktober 2001 in te trekken wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in, maar zowel het bezwaar als het beroep werden ongegrond verklaard door het Uwv en de rechtbank.
In hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep herhaalde appellant zijn bezwaren omtrent de psychische belastbaarheid, maar kon geen nieuwe medische gegevens overleggen die het eerdere oordeel zouden weerleggen. De Raad vond geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.