ECLI:NL:CRVB:2005:AU6834
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit verlaging WW-uitkering wegens onvoldoende sollicitaties wegens schending hoorplicht
Appellant ontving vanaf 22 april 2002 een loongerelateerde WW-uitkering. Gedaagde verlaagde deze uitkering met 20% wegens onvoldoende concrete sollicitaties in de periode van 18 november 2002. Appellant voerde aan dat hij wel degelijk sollicitaties had verricht en dat hij de hoorplicht niet was nagekomen. De rechtbank oordeelde dat de hoorplicht was geschonden, maar handhaafde het besluit op grond van artikel 6:22 Awb Pro.
In hoger beroep stelde appellant opnieuw dat hij voldoende sollicitaties had verricht en dat hij niet gehoord was. De Raad oordeelde dat de rechtbank ten onrechte artikel 6:22 Awb Pro toepaste en vernietigde het besluit wegens schending van de hoorplicht. De Raad onderzocht vervolgens of de rechtsgevolgen van het besluit in stand konden blijven.
De Raad vond dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij ten minste vier sollicitaties had verricht. De verklaringen van getuigen waren onvoldoende overtuigend en werden deels tegengesproken door verklaringen van gedaagde. Daarom was appellant tekortgeschoten in zijn sollicitatieplicht en was de maatregel terecht opgelegd.
De Raad vernietigde het besluit, verklaarde het beroep gegrond, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Tevens veroordeelde de Raad gedaagde in de proceskosten en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan appellant wordt vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot verlaging van de WW-uitkering wordt vernietigd wegens schending van de hoorplicht, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.