ECLI:NL:CRVB:2005:AU6838
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- J. Riphagen
- M. Greebe
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering na ontslag wegens fraude zonder verminderde verwijtbaarheid
Gedaagde was sinds 1993 werkzaam als verkoopadviseur en werd op 25 juli 2003 op staande voet ontslagen wegens fraude. Naar aanleiding van zijn aanvraag om een WW-uitkering weigerde het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) deze volledig, omdat gedaagde wist of had moeten weten dat ontslag het gevolg zou zijn van zijn handelen.
Gedaagde voerde aan dat zijn fraude onder extreme druk van privéomstandigheden en psychische klachten plaatsvond, en stelde verminderde verwijtbaarheid. Ter onderbouwing overhandigde hij rapporten van een maatschappelijk werkster en een psycholoog, die spraken van persoonlijke kwetsbaarheden maar geen ernstige stoornis.
Het Uwv liet een verzekeringsarts onderzoeken, die concludeerde dat er geen sprake was van een psychische stoornis die het handelen van gedaagde onbegrijpelijk maakte. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en stelt dat het ontslag wegens fraude in de gegeven functie zeer voorzienbaar was. Er is onvoldoende grond voor verminderde verwijtbaarheid, zodat het beroep ongegrond wordt verklaard en het besluit tot volledige weigering van de WW-uitkering in stand blijft.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de volledige weigering van de WW-uitkering wegens fraude zonder verminderde verwijtbaarheid.