AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens niet tijdig ingediend bezwaar
Appellante maakte bezwaar tegen de weigering van haar WW-uitkering omdat zij verwijtbaar werkloos zou zijn geworden. Dit bezwaar werd echter niet tijdig ingediend, aangezien de bezwaartermijn van zes weken was verstreken. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.
Appellante voerde aan dat haar late bezwaar te wijten was aan het syndroom Borderline, waardoor zij niet tijdig kon reageren. De Raad oordeelde echter dat dit geen verschoonbare reden is, mede omdat geen objectief medisch bewijs werd overgelegd en appellante wel in staat was haar werkgever te benaderen en sollicitaties te verrichten.
De Raad concludeert dat de overschrijding van de bezwaartermijn niet kan worden geaccepteerd en bevestigt de eerdere uitspraak. Er worden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WW-uitkering bevestigd wegens niet tijdig ingediend bezwaar.
Uitspraak
E N K E L V O U D I G E K A M E R
05/457 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft H.G. Boel-Spiekman op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Amsterdam op 21 december 2004, reg. nr. AWB 04/643 WW, tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 5 oktober 2005, waar appellante niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. R.S. van ’t Oor, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Bij besluit van 4 augustus 2003 heeft gedaagde aan appellante meegedeeld dat haar WW-uitkering blijvend geheel geweigerd wordt omdat zij verwijtbaar werkloos is geworden.
Bij bezwaarschrift van 14 november 2003, door gedaagde ontvangen op 18 november 2003, heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het besluit van 4 augustus 2003.
Bij beslissing op bezwaar van 9 januari 2004 (het bestreden besluit) heeft gedaagde het bezwaarschrift van appellante niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend, terwijl niet is gebleken van bijzondere omstandigheden waardoor appellante niet in de gelegenheid was om tijdig een bezwaarschrift in te dienen.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep is namens appellante aangevoerd dat het te laat indienen van het bezwaarschrift gelegen is in het feit dat appellante lijdt aan het syndroom Borderline en dat het één en ander nogal eens aan haar voorbij gaat.
De Raad overweegt als volgt.
Ingevolge de artikelen 3:41, 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geldt het volgende.
De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken. Deze termijn gaat in op de dag na die waarop het bestreden besluit door toezending of uitreiking aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Een bezwaarschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is het bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Door partijen wordt niet betwist dat het besluit van 4 augustus 2003 op deze datum aan appellante is verzonden. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is derhalve gaan lopen op 5 augustus 2003 en eindigde mitsdien op 15 september 2003. Nu het bezwaarschrift eerst op 18 november 2003 door gedaagde is ontvangen, is ook de Raad, evenals de rechtbank en gedaagde, van oordeel dat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend.
De Raad dient vervolgens de vraag te beantwoorden of de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar is. Hetgeen hieromtrent door de rechtbank is vastgesteld en overwogen, wordt door de Raad onderschreven. De Raad voegt hier nog aan toe dat in de omstandigheid dat appellante zou lijden aan het syndroom Borderline, zoals eerst in hoger beroep is betoogd, geen grond is gelegen om de termijnoverschrijding bij het indienen van het bezwaarschrift verschoonbaar te achten. De Raad merkt dienaangaande op, nog daargelaten dat geen enkel objectiveerbaar medisch gegeven is overgelegd omtrent het lijden van appellante aan die aandoening, dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan appellante geacht moet worden gedurende de gehele bezwaartermijn volledig buiten staat te zijn tijdig een -eventueel voorlopig- bezwaar-schrift in te dienen, mede gelet op het feit dat appellante blijkens de gedingstukken wel in staat was haar werkgever te benaderen en sollicitatieactiviteiten te verrichten.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 vanPro de Awb inzake de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 november 2005.