ECLI:NL:CRVB:2005:AU6882

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 november 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05-3464 WWCON + 05-3459 WWCON
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Rechters
  • M.A. Hoogeveen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot herziening onherroepelijke uitspraak UWV

De Centrale Raad van Beroep behandelde op 9 november 2005 het verzoek tot herziening van een eerder onherroepelijk geworden uitspraak van 2 maart 2005, waarbij de Raad van bestuur van het UWV en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap partij waren.

Verzoeker had op 13 mei 2005 een verzoek tot herziening ingediend op grond van vermeende nieuwe feiten en omstandigheden. De Raad heeft onderzocht of aan de voorwaarden van artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) was voldaan, namelijk dat er feiten of omstandigheden zijn die voor de uitspraak plaatsvonden, die niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn bij verzoeker, en die bij de Raad bekend zouden hebben geleid tot een andere uitspraak.

De Raad concludeerde dat uit het verzoekschrift en overige stukken niet bleek dat zulke feiten of omstandigheden waren aangevoerd. Het verzoek was dan ook niet geschikt om een hernieuwde discussie over de zaak te openen. Ook werd opgemerkt dat de termijn tussen uitspreken en verzending van de uitspraak administratief van aard is en geen aanleiding geeft tot proceskostenveroordeling.

Daarom wees de Centrale Raad het verzoek tot herziening af en bevestigde de onherroepelijkheid van de uitspraak van 2 maart 2005.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening van de onherroepelijke uitspraak is afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
05/3464 WWCON + 05/3459 WWCON
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
en
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, gedaagden.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tevens verstaan het Lisv.
Verzoeker heeft op de daartoe bij brief van 13 mei 2005 aangevoerde gronden herziening verzocht van de door de Raad op
2 maart 2005 onder nrs. 03/2015 WWCON en 03/2016 WWCON tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagden hebben een verweerschrift ingediend.
Het verzoek is aan de orde gesteld ter zitting van 28 september 2005 waar partijen -gedaagden met bericht- niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of van de zijde van verzoeker gronden zijn aangevoerd die tot herziening van de in rubriek I vermelde uitspraak van de Raad van 2 maart 2005 kunnen leiden.
De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend en heeft daartoe het volgende overwogen.
Ingevolge artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een onherroepelijk geworden uitspraak van de Raad alleen, op verzoek van een partij, worden herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en
redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
Noch uit het verzoekschrift, noch anderszins is de Raad gebleken van feiten en omstandigheden als evenbedoeld. Hetgeen door verzoeker is aangevoerd kan de Raad niet tot een ander oordeel leiden.
De Raad wijst erop dat het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet is gegeven om anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen.
Op grond van het vorenoverwogene komt de Raad dan ook tot de conclusie dat het verzoek om herziening dient te worden afgewezen.
Tot slot merkt de Raad met betrekking tot het gestelde in het verzoekschrift omtrent de uitspreek- en verzenddatum van de betrokken uitspraak slechts ter voorlichting van appellant nog op dat de termijn tussen het uitspreken en de daadwerkelijke verzending van de uitspraak wordt aangewend voor de administratieve afhandeling daarvan.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Wijst het verzoek om herziening af.
Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier en uitgesproken in het openbaar op
9 november 2005.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) P. Boer.