ECLI:NL:CRVB:2005:AU6895
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering ondanks theoretisch karakter geselecteerde functies
Appellant, werkzaam als kok in het loodswezen, ontving sinds 1991 een WAO-uitkering. Na een herziening in 2001 werd zijn arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 45 tot 55%, gebaseerd op een belastbaarheidspatroon van verzekeringsarts Braber en een selectie van zes functies door arbeidsdeskundige Spaans. Appellant stelde dat de geselecteerde functies een theoretisch karakter hadden en dat het medisch onderzoek onvoldoende was.
De rechtbank Middelburg verklaarde het beroep van appellant in eerste aanleg ongegrond, waarbij werd overwogen dat het niet uitmaakt of de geselecteerde functies feitelijk verkregen kunnen worden, en dat deze functies niet zodanig bijzonder zijn dat ze niet of bijna niet voorkomen. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, ondanks het ontbreken van nader onderzoek na 6 december 2000, mede omdat de bezwaarverzekeringsarts Van Dam-Horowitz geen wijziging in gezondheidstoestand constateerde.
De Raad merkte op dat hoewel volgens de bepalingen tot 1 augustus 1993 een maandloonvergelijking had moeten worden toegepast in plaats van een uurloonvergelijking, dit geen invloed had op de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid. De grief over het theoretische karakter van de functies werd eveneens verworpen, waarbij de overwegingen van de rechtbank werden onderschreven. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De herziening van de WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% wordt bevestigd en het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard.