Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2005:AU6964

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 november 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/2870 AAW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Janssen
  • D.J. van der Vos
  • G.J.H. Doornewaard
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 8:75 AwbWet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verzoek tot herziening AAW-uitkering eerste arbeidsongeschiktheidsdag

Appellant heeft bij het UWV verzocht om terug te komen op het eerdere besluit van 14 april 2000, waarin zijn eerste arbeidsongeschiktheidsdag en de grondslag voor zijn AAW-uitkering waren vastgesteld. Dit verzoek werd afgewezen omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren die herziening rechtvaardigden.

De rechtbank had het besluit van het UWV eerder in stand gelaten, en ook in hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep geoordeeld dat het bestuursorgaan in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. De medische rapporten die appellant ter ondersteuning van zijn verzoek heeft ingediend, waren reeds bekend bij het oorspronkelijke besluit en vormen geen nieuw bewijs.

De Raad benadrukt dat een bestuursorgaan bevoegd is om ambtshalve besluiten te herzien, maar dat toetsing door de bestuursrechter zich moet beperken tot de vraag of sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. Het hoger beroep is daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV wordt bevestigd.

Uitspraak

03/2870 AAW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft mr. E.D.B. Groeneweg, advocaat te Utrecht, op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Utrecht onder dagtekening 25 april 2003 tussen partijen gegeven uitspraak (reg. nr.: SBR 02/1237), waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft bij schrijven van 18 september 2003 van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 2 september 2005, waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. E.B. Knollema, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
De Raad heeft bij uitspraak van 14 mei 1999 (97/1047 AAW) als zijn oordeel gegeven dat appellant per 1 januari 1987 arbeidsongeschikt is geworden. Bij besluit van 14 april 2000 heeft gedaagde vervolgens, rekening houdend met de wettelijke wachttijd van 52 weken, met ingang van 31 december 1987 aan appellant een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend en dit besluit is dan ook in rechte onaantastbaar geworden. Namens appellant is op 13 november 2001 aan gedaagde een verzoek gedaan dat er toe strekt dat gedaagde van dit besluit terugkomt, zowel ten aanzien van de bij dit besluit aanvaarde eerste arbeidsongeschiktheidsdag als de bij dit besluit vastgestelde grondslag waarnaar zijn uitkering is berekend. Naar aanleiding hiervan heeft gedaagde de zaak in haar geheel opnieuw beoordeeld, hetgeen echter niet tot een andere uitkomst heeft geleid. Bij besluit van 15 januari 2002 heeft gedaagde het verzoek van appellant afgewezen. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is door gedaagde bij het thans bestreden besluit van
15 mei 2002 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het bestreden besluit in stand gelaten.
Naar de Raad inmiddels reeds vele keren heeft overwogen is een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd een verzoek van een belanghebbende om van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij de oorspronkelijke beslissing in volle omvang te heroverwegen. Bewoordingen en strekking van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.
Ter ondersteuning van zijn verzoek om terug te komen heeft appellant in hoger beroep een aantal hem betreffende medische rapporten ingezonden. Daarbij gaat het echter niet om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Deze rapporten hebben deel uitgemaakt van de gedingstukken in de procedures die tussen partijen zijn gevoerd voor (het nemen van) het oorspronkelijke besluit van 14 april 2000 en waren derhalve al bekend.
Daarvan uitgaande kan, mede gelet op hetgeen ook overigens van de zijde van appellant ter ondersteuning van zijn verzoek is aangevoerd, naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat gedaagde niet in redelijkheid tot zijn bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep geen doel treft en dat deswege de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 november 2005.
(get.) J. Janssen.
(get.) J.E. Meijer.
MH