ECLI:NL:CRVB:2005:AU7132
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit gedeeltelijke WAO-uitkering wegens onvoldoende onderzoek
Appellant was sinds februari 2000 wegens chronische vermoeidheidsklachten arbeidsongeschikt en ontving een gedeeltelijke WAO-uitkering van 45 tot 55% vanaf 16 februari 2001. Appellant betwistte de mate van arbeidsongeschiktheid en de toepasselijkheid van de Wet Amber. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, maar de Raad oordeelt anders.
De Raad stelt vast dat het onderzoek van het UWV niet volledig was, omdat niet is onderzocht of het langdurige ziekteverzuim bij eerdere werkgevers gevolgen heeft voor de vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag en de toepassing van de Wet Amber. Ook is onvoldoende rekening gehouden met relevante gegevens zoals de werknemerinformatiekaart en ziekmelding uit 1999.
De Raad bevestigt dat de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid op de beoordelingsdatum juist is, maar vernietigt het besluit wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel (art. 3:2 Awb Pro). Het UWV moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van de overwegingen van de Raad. Tevens worden de proceskosten aan appellant toegewezen.
Uitkomst: Het besluit tot toekenning van een gedeeltelijke WAO-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende onderzoek en onzorgvuldigheid.