ECLI:NL:CRVB:2005:AU7144

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 november 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/422 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenInvoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling weigering WAO-uitkering wegens onderschatte beperkingen buurtmoeder met rug- en psychische klachten

Appellante, een buurtmoeder die haar werkzaamheden per 1 november 1999 staakte vanwege rug- en psychische klachten, verzocht om een WAO-uitkering. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) weigerde deze uitkering per 31 oktober 2000 toe te kennen omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. Na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek op 15 september 2000 werd vastgesteld dat zij deels ongeschikt was voor haar eigen psychisch belastende werk, maar wel in staat was tot andere passende werkzaamheden.

Appellante voerde aan dat haar beperkingen waren onderschat en dat het uitblijven van een tijdige beslissing onrechtmatig was. De Raad overwoog dat er geen algemene verplichting bestaat tot aanwezigheid van een arts tijdens de hoorzitting en dat de afwezigheid daarvan niet onzorgvuldig was gezien de medische informatie die beschikbaar was. De Raad vond geen aanleiding om te twijfelen aan de medische grondslag van het besluit en concludeerde dat de overschrijding van de beslistermijn onvoldoende was om het besluit aan te tasten.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank Amsterdam en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De beslissing benadrukt het belang van een zorgvuldige medische beoordeling en de beperkte gevolgen van een overschrijding van de beslistermijn in dit type sociale zekerheidszaken.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

04/422 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante is hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Amsterdam op 10 december 2003 onder kenmerk AWB 02/3795 WAO tussen partijen gewezen uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 21 oktober 2005, waar appellante niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M.H.A.H. Smithuysen, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Bij het bestreden besluit van 9 juli 2002 heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen het besluit van 9 april 2001 waarbij is geweigerd om appellante met ingang van 31 oktober 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de abeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen op de grond dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
De Raad gaat uit van de volgende feiten.
Appellante heeft met ingang van 1 november 1999 haar werkzaamheden als buurtmoeder in een dienstbetrekking van
30,4 uren per week gestaakt, overwegend wegens rugklachten en psychische klachten. Tijdens zijn onderzoek op
15 september 2000 heeft de verzekeringsarts als diagnose gesteld chronische lumbago, mogelijk verergerd door stressoren, tevens somberheid in het kader van posttraumatisch stress syndroom, thans deels in remissie. Hij beschouwt appellante bij het einde van de zogenaamde wachttijd op 31 oktober 2000 (deels) ongeschikt voor haar eigen (psychische belastende) werk. Op die datum zou zij wel in staat zijn tot het verrichten van niet rugbelastende, niet te stresserende werkzaamheden. De arbeidsdeskundige heeft een achttal geschikte functies geselecteerd waarmee appellante meer dan 85% van haar maatmaninkomen zou kunnen verdienen.
Bij het besluit van 9 april 2001 is geweigerd om appellante per 31 oktober 2000 een WAO-uitkering toe te kennen. Op 21 juni 2001 heeft appellante een verklaring van haar huisarts ingezonden, inhoudende dat belangrijke lichamelijke ziekten zich niet voordoen, maar dat appellante depressief is. Voor die laatste klachten is zij onder behandeling van de RIAGG en naar de inschatting van haar huisarts is appellante nog niet arbeidsgeschikt (maar wel op termijn).
De Raad overweegt het volgende.
Met de rechtbank en onder verwijzing naar zijn uitspraak van 13 maart 2002, RSV 2002, 154, is de Raad van oordeel dat geen algemene verplichting bestaat dat een arts tijdens de hoorzitting aanwezig is. Dat neemt niet weg dat de aanwezigheid van een arts tijdens de hoorzitting in vele gevallen dienstig kan zijn aan de afdoening van het bezwaar. De noodzaak tot de aanwezigheid van een arts tijdens de hoorzitting of tot het doen van een eigen keuring wordt bepaald door de feitelijke omstandigheden van het geval. Mede in het licht hiervan kan appellante niet worden gevolgd in haar stelling dat de afwezigheid van een bezwaararts tijdens de hoorzitting schending van het gelijkheidbeginsel oplevert.
De afwezigheid van een arts tijdens de hoorzitting in het onderhavige geval, was evenmin onzorgvuldig. Daarbij heeft de Raad mede in aanmerking genomen de aard van de klachten van appellante, de resultaten van het verzekeringsgenees- kundig onderzoek op 15 september 2000, en de aan de bezwaarverzekeringsarts bekende informatie van de huisarts. Voorts stelt de Raad vast dat de bezwaarverzekeringsarts aan appellante een schriftelijke machtiging heeft gevraagd voor het inwinnen van informatie bij de RIAGG. Deze machtiging heeft appellante bereikt, maar is door gedaagde niet retour ontvangen.
Anders dan appellante en op gelijke gronden als de rechtbank, ziet de Raad onvoldoende aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de medische grondslag van het besluit. De verzekeringsarts heeft rekening gehouden met beperkingen vanwege rugklachten en psychische klachten. Appellante heeft geen medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat de beperkingen zijn onderschat. Weliswaar heeft de huisarts aangegeven dat appellante vanwege depressieve klachten arbeidsongeschikt is, maar ook de verzekeringsarts heeft aangenomen dat die klachten er aan in de weg staan dat appellante haar eigen, psychisch belastende arbeid verricht.
Het hoger beroep keert zich tevens tegen het oordeel van de rechtbank dat appellante een rechtsmiddel kon aanwenden tegen het uitblijven van een tijdige beslissing op haar aanvraag. Met partijen constateert de Raad dat gedaagde de wettelijke beslistermijn in aanzienlijke mate heeft overschreden. Daaraan doet op zichzelf niet af dat appellante de mogelijkheid had om tegen het uitblijven van de beslissing na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn bezwaar aan te tekenen. Voor de overschrijding van de beslistermijn is in de gedingstukken voorts geen rechtvaardiging te vinden.
Het gaat hier evenwel om een termijn van orde. Aan de enkele overschrijding van de termijn verbindt de Algemene wet bestuursrecht immers geen consequenties, behoudens de hiervoor genoemde mogelijkheid om tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar bij de rechtbank beroep aan te tekenen.
De enkele overschrijding van de beslistermijn is tevens onvoldoende om aan te nemen dat de mate van arbeidsonge- schiktheid per 30 oktober 2000 niet (meer) adequaat kon worden vastgesteld. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft immers op 15 september 2000 plaats gevonden en het arbeidskundig onderzoek werd op 31 januari 2001 afgerond.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 november 2005.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) J.P. Mulder.