ECLI:NL:CRVB:2005:AU7320
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering ANW-uitkering wegens detentie met toepassing Wsg
Appellant maakte bezwaar tegen de intrekking van zijn Algemene nabestaandenwet (ANW)-uitkering per 1 juni 2000 vanwege detentie, op grond van de Wet sociale zekerheidsrechten gedetineerden (Wsg). De Sociale verzekeringsbank had de uitkering ingetrokken en onverschuldigd betaalde bedragen teruggevorderd.
De rechtbank had het beroep deels gegrond verklaard door de terugwerkende kracht van de intrekking te vernietigen, maar bevestigde de rechtmatigheid van de beëindiging van de uitkering. Vervolgens nam de Sociale verzekeringsbank een nieuw besluit waarbij de intrekking van de uitkering werd vastgesteld met ingang van 1 november 2000, rekening houdend met een overgangstermijn van zes maanden.
De Raad oordeelde dat het hoger beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk was omdat appellant geen belang meer had bij een inhoudelijk oordeel hierover. Het beroep tegen het tweede besluit werd ongegrond verklaard, waarbij de Raad verwees naar eerdere uitspraken waarin de Wsg in hoofdlijnen werd getoetst en de overgangstermijn van zes maanden als proportioneel werd beschouwd.
De Raad wees ook de stelling van appellant af dat de Wsg ongerechtvaardigd onderscheid maakt tussen uitkeringsgerechtigden, en veroordeelde de Sociale verzekeringsbank tot vergoeding van de proceskosten van appellant in hoger beroep.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen het eerste besluit wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond; de intrekking van de ANW-uitkering met overgangstermijn is rechtmatig.