ECLI:NL:CRVB:2005:AU7396
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking kinderbijslag wegens onvoldoende onderhoud van kind woonachtig bij tante
Appellant ontving kinderbijslag voor zijn dochter die sinds maart 1996 bij zijn zuster woont in Pakistan en later Groot-Brittannië. De Sociale verzekeringsbank (gedaagde) weigerde kinderbijslag vanaf het tweede kwartaal 1996 vanwege onvoldoende onderhoudsbijdragen.
Appellant stelde dat hij wel degelijk voldoende heeft bijgedragen, onder meer door geld over te maken of mee te geven via familieleden. De Raad oordeelde dat alleen voor het vierde kwartaal 1998 en 1999 voldoende bewijs van overmakingen was geleverd. Voor de overige kwartalen ontbrak dit bewijs.
De Raad vond dat het besluit tot weigering van kinderbijslag vanaf het eerste kwartaal 2000 niet zorgvuldig was voorbereid, omdat de bank niet had onderzocht of de hoge storting in het vierde kwartaal 1999 ook voor latere kwartalen bedoeld was. Daarom werd dit deel van het besluit vernietigd en terugverwezen voor heroverweging.
Voor de eerdere kwartalen werd het besluit bevestigd omdat appellant niet tijdig had gemeld waar zijn dochter verbleef en niet aan zijn informatieplicht had voldaan. De Raad veroordeelde de Sociale verzekeringsbank tot vergoeding van proceskosten aan appellant.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van kinderbijslag vanaf het eerste kwartaal 2000 wordt vernietigd, voor eerdere kwartalen wordt het besluit bevestigd.