ECLI:NL:CRVB:2005:AU7404

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 november 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/5761 AOR
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.G. Kasdorp
  • G.L.M.J. Stevens
  • H.R. Geerling-Brouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Reglement Uitkeringsreglement Individuele Uitkeringen Stichting Maror-geldenArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing aanvraag uitkering Stichting Maror-gelden wegens niet voldoen aan Joodse afstammingscriteria

Appellante heeft een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van het Uitkeringsreglement Individuele Uitkeringen Stichting Maror-gelden Overheid. Deze aanvraag is door het bestuur afgewezen omdat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij is geboren uit ten minste één Joodse ouder met twee Joodse grootouders, noch dat zij is vervolgd of beroofd vanwege haar Joodse afkomst.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen deze afwijzing ongegrond verklaard. Appellante heeft aangevoerd dat bewijsstukken die haar Joodse afstamming zouden aantonen, verloren zijn gegaan door de verwoesting van de familieboerderij tijdens de Tweede Wereldoorlog. Desondanks oordeelt de Raad dat het ontbreken van bewijs en het niet voldoen aan de criteria in artikel 2 van Pro het Reglement rechtvaardigt dat de aanvraag wordt afgewezen.

De Raad ziet geen aanleiding om het besluit te vernietigen en wijst ook een vergoeding van proceskosten af. De afwijzing wordt bevestigd omdat appellante niet voldoet aan de in het Reglement gestelde voorwaarden om als belanghebbende te worden aangemerkt.

Uitkomst: De aanvraag om uitkering wordt afgewezen omdat appellante niet voldoet aan de vereisten van het Reglement.

Uitspraak

04/5761 AOR
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante
en
het bestuur van de Stichting Maror-gelden Overheid, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij beroepschrift van 11 oktober 2004, met bijlagen, heeft namens appellante haar echtgenoot [echtgenoot] bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 7 oktober 2004, nummer AWB 03/865. Bij die uitspraak is het beroep dat namens appellante was ingesteld tegen een besluit van gedaagde van 20 maart 2003 ongegrond verklaard.
Namens gedaagde is door mr. S. van Heukelom-Verhage, advocaat te ‘s-Gravenhage, een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 27 oktober 2005. Aldaar is, met voorafgaand bericht, noch appellante noch haar gemachtigde verschenen. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. S. van Heukelom-Verhage voornoemd.
II. MOTIVERING
Ten aanzien van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden volstaat de Raad, onder verwijzing voor het overige naar de aangevallen uitspraak, met het volgende.
Namens appellante is op 8 juli 2002 een aanvraag gedaan om uitkering ingevolge het Uitkeringsreglement Individuele Uitkeringen Stichting Maror-gelden Overheid (Stcrt. 8 januari 2001, nr. 5, hierna: Reglement ).
Ingevolge artikel 2 van Pro het Reglement worden als belanghebbenden in de zin van deze regeling beschouwd:
a) de natuurlijke personen, geboren vóór 8 mei 1945 uit tenminste één Joodse ouder en twee Joodse grootouders aan de kant van de betreffende ouder, alsmede
b) de natuurlijke personen, geboren vóór 8 mei 1945, die wegens hun Joods-zijn in of vanuit Nederland zijn vervolgd dan wel beroofd,
voor zover deze onder a) en b) bedoelde personen gedurende de periode van de Tweede Wereldoorlog enige tijd woonplaats binnen het Koninkrijk in Nederland hadden en op 8 mei 1945 nog in leven waren.
Gedaagde heeft de aanvraag afgewezen op de grond dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij is geboren uit tenminste één Joodse ouder met aan die zijde twee Joodse grootouders en dat evenmin kon worden vastgesteld dat appellante is vervolgd of beroofd omdat zij Joods is, zodat zij niet voldoet aan de in artikel 2, aanhef en onder a) en b), van het Reglement gestelde vereisten om als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt.
De rechtbank, van oordeel dat het besluit van verweerder (thans: gedaagde) de rechterlijke toets kan doorstaan, heeft het beroep van eiseres (thans: appellante) ongegrond verklaard.
Appellante kan zich daarmee niet verenigen. Haar gemachtigde heeft, onder verwijzing naar het verslag dat zijn zuster [zuster] heeft gegeven van de oorlogsgebeurtenissen in de omgeving van [woonplaats] tijdens de laatste oktoberdagen van 1944, gesteld dat bij de verwoesting van de boerderij van appellantes familie alle bewijsstukken van de Joodse adelstand waartoe appellante zou behoren zijn vernietigd.
De Raad ziet, evenals de rechtbank bij de aangevallen uitspraak, geen grond om het bestreden besluit aan te tasten.
Gedaagde heeft in geen van de officiële bronnen, waaruit informatie omtrent de vereisten in artikel 2 van Pro het Reglement kan worden afgeleid, bevestiging gevonden dat appellante voldoet aan de vereisten. Appellante heeft daarvoor zelf ook geen bewijsstukken. Dat (mogelijk) bewijzen zijn vernietigd, maakt dat niet anders en kan er niet toe leiden dat appellante voor een uitkering in aanmerking moet worden gebracht.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
Beslist wordt derhalve als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 november 2005.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) J.P. Schieveen.
HD
22.11