ECLI:NL:CRVB:2005:AU7413
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- R.C. Stam
- N.J. Haverkamp
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde WAO-uitkering ondanks beroep op rechtszekerheid en vertrouwensbeginsel
Betrokkene ontving vanaf 6 maart 1995 een arbeidsongeschiktheidsuitkering en is op 18 juni 2001 overleden. Bij de aanvraag van een overlijdensuitkering ontdekte het UWV dat over de periode van 1 februari 1998 tot en met 19 juni 2001 abusievelijk dubbele uitkeringen waren betaald, zowel op grond van de WAO als de WAZ. Het UWV vorderde het te veel betaalde bedrag van €33.778,42 bruto terug van de erven.
De erven stelden dat betrokkene erop mocht vertrouwen dat de uitkering correct was en voerden schending van het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel aan. De Raad oordeelde dat de terugvordering op grond van artikel 57, eerste lid, WAO verplicht was en dat het niet uitmaakte of betrokkene zich bewust was van de onverschuldigde betaling.
De specificatie van 11 juni 1998 werd niet als een ondubbelzinnige schriftelijke mededeling gezien waaruit vertrouwen op de juiste uitkering kon worden afgeleid. Ook werd geoordeeld dat schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur geen dringende reden vormt om van terugvordering af te zien.
Ten slotte verwierp de Raad het beroep op artikel 6 EVRM Pro, omdat het onjuist was te veronderstellen dat het UWV al medio 1998 op de fout had moeten weten en te lang had gewacht met actie. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van €33.778,42 bruto onverschuldigde WAO-uitkering.