ECLI:NL:CRVB:2005:AU7428

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 november 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/2239 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • C.G. Kasdorp
  • G.L.M.J. Stevens
  • H.R. Geerling-Brouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vergoeding voor opnieuw opgetreden gebitsschade na eerdere algehele gebitsrehabilitaties

Eiser, erkend als vervolgingsslachtoffer vanwege internering in Japanse kampen, had eerder vergoedingen ontvangen voor twee algehele gebitsrehabilitaties in 1985 en 1998. In 2003 vroeg hij een vergoeding voor de kosten van behandeling van opnieuw beschadigde gebitselementen, welke door verweerster werd afgewezen. Verweerster baseerde zich op tandheelkundig advies dat de nieuwe schade voortkomt uit normale onderhoudskosten en niet direct verband houdt met de vervolging.

Eiser voerde aan dat de schade ondanks goede verzorging is opgetreden en verband houdt met zijn zwakke gebit door het kampverblijf. De Raad concludeerde echter dat de huidige beschadigingen niet samenhangen met de parodontale problematiek en dat de afwijzing van de vergoeding in rechte standhoudt.

De Raad vond geen aanleiding om af te wijken van de vaste rechtspraak dat na een algehele gebitsrehabilitatie het verdere onderhoud voor rekening van de betrokkene komt. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen vergoeding van proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van vergoeding voor hernieuwde gebitsschade wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

04/2239 WUV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
F.J. Govaert, wonende te Heerenveen, eiser,
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Onder dagtekening 31 maart 2004, kenmerk JZ/H70/2004/0220, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Tegen dit besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift is uiteengezet waarom eiser zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Namens eiser is een nader stuk ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 6 oktober 2005.
Aldaar is eiser in persoon verschenen met bijstand van mr. J. Nijenhuis, advocaat te Heerenveen, als zijn raadsman, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Blijkens de gedingstukken is eiser, geboren in 1939 in het voormalige Nederlands-Indië, in 1982 vanwege zijn internering in Japanse kampen erkend als vervolgde in de zin van de Wet. Daarbij zijn eisers psychische klachten alsmede zijn gebitsklachten met parodontale problematiek aanvaard als staande in het door de Wet vereiste verband met de ondergane vervolging.
Voorzover hier van belang zijn aan eiser in 1985 en in 1998 op grond van artikel 20 van Pro de Wet de kosten van een tweetal alomvattende gebitsrehabilitaties - waarvan de tweede in het bijzonder samenhing met zijn parodontale problematiek - vergoed.
In september 2003 heeft eiser zich gewend tot verweerster met een vervolgaanvraag tot toekenning van een vergoeding van de kosten van hernieuwde behandeling van twee bij de eerdere gebitsrehabilitaties al herstelde, maar nu opnieuw beschadigde gebitselementen (nrs. 34 en 35).
Die aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 6 januari 2004, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het nu bestreden besluit. Daartoe is overwogen, samengevat, dat de huidige noodzaak van behandeling voortvloeit uit verzwakking tengevolge van een endodontische behandeling (34) en cariës (35), en dat de kosten daarvan - na het eerder vergoede algeheel herstel - zijn te rekenen tot de normale, voor iedereen geldende kosten van onderhoud.
In beroep is door en namens eiser aangevoerd, kort gezegd, dat de huidige beschadigingen zijn opgetreden ondanks een perfecte verzorging van het gebit, en dat daarmee juist wordt onderstreept dat de zwakke conditie van zijn gebit als gevolg van het kampverblijf tot die beschadigingen heeft geleid.
In dit geding staat ter beantwoording de vraag of, gelet op hetgeen van eisers zijde in beroep is aangevoerd, het bestreden besluit in rechte kan standhouden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
Het standpunt van verweerster is ontleend aan en in overeenstemming met bij haar tandheelkundig adviseur, de tandarts M. Schächter, terzake ingewonnen adviezen. Deze adviezen berusten op de in het dossier van eiser reeds beschikbare, uitvoerige tandheelkundige gegevens alsmede op recente, van eisers tandarts ontvangen informatie.
De Raad heeft in de voorhanden gegevens geen aanknopingspunt gevonden om aan de juistheid van deze, door verweerster gevolgde adviezen te twijfelen. Met name blijkt uit die gegevens niet - ook niet uit de in beroep nog overgelegde verklaring van 6 oktober 2004 van de tandarts-parodontoloog dr. L.J. van Dijk - dat de huidige beschadigingen samenhangen met eisers parodontale problematiek.
Ook overigens is, op grond van hetgeen is aangevoerd, niet gebleken van omstandig-heden op grond waarvan gezegd moet worden dat verweerster in dit geval niet mocht handelen overeenkomstig haar in zaken als de onderhavige gevoerde, door de Raad in vaste rechtspraak aanvaarde praktijk bij de toepassing van artikel 20 van Pro de Wet, inhoudende dat na een algehele gebitsrehabilitatie het verdere onderhoud voor verantwoordelijkheid en derhalve voor rekening van de betrokkene dient te komen.
Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden. Het ingestelde beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en
mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 november 2005.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) R.B.E. van Nimwegen.