ECLI:NL:CRVB:2005:AU7537
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering van ANW-uitkering wegens inkomenswijziging
Appellante ontving een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW), die deels inkomensafhankelijk werd. Na melding van omzetting van haar wachtgelduitkering in een FPU-uitkering en een daaropvolgende verhoging, heeft de Sociale verzekeringsbank haar ANW-uitkering herzien en een nabetaling gedaan wegens te weinig ontvangen uitkering.
Appellante maakte bezwaar tegen de herziening en de aangekondigde terugvordering, stellende dat zij altijd de juiste informatie had verstrekt en dat het te veel betaalde bedrag niet kenbaar was. De bezwaarafdeling verklaarde het bezwaar tegen de terugvordering niet-ontvankelijk en wees het bezwaar tegen de herziening af. De rechtbank bevestigde dit oordeel, maar beperkte haar beoordeling tot de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de terugvordering.
De Centrale Raad van Beroep vernietigde dit oordeel en beoordeelde zelf de herziening. De Raad oordeelde dat de Sociale verzekeringsbank op goede gronden de uitkering had herzien en teruggevorderd, met inachtneming van het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Er waren geen dringende redenen om af te zien van terugvordering over de periode augustus 2002 tot oktober 2003. De Raad veroordeelde de Sociale verzekeringsbank tot vergoeding van beperkte proceskosten aan appellante.
De uitspraak bevestigt dat herziening van uitkeringen met terugwerkende kracht mogelijk is wanneer de uitkering onjuist is vastgesteld, tenzij bijzondere omstandigheden dit onredelijk maken, en benadrukt het belang van correcte informatieverstrekking door de uitkeringsgerechtigde.
Uitkomst: De herziening en terugvordering van de ANW-uitkering over augustus 2002 tot oktober 2003 zijn terecht en het beroep wordt ongegrond verklaard.