ECLI:NL:CRVB:2005:AU7692
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van arbeidsongeschiktheid en aanvaardbaarheid van het CBBS bij WAO-uitkering
Appellant, een constructiebankwerker, meldde zich ziek wegens rugklachten vanuit een WW-uitkeringssituatie en ontving na afloop van de maximale uitkeringstermijn een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
De Raad beoordeelde het geschil over de juistheid van de medische grondslag en de aanvaardbaarheid van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) als methode voor de schatting van arbeidsongeschiktheid. De Raad bevestigde dat het CBBS in beginsel rechtens aanvaardbaar is, mits het besluit voldoende is gemotiveerd en toelichtingen bevat die toetsing mogelijk maken.
De medische grondslag van het besluit werd niet betwist; de Raad onderschreef de conclusies van de verzekeringsartsen en de rechtbank. Wel was er discussie over de arbeidskundige beoordeling, waarbij een rapport van 16 oktober 2003 een hogere mate van arbeidsongeschiktheid (25-35%) aangaf dan het oorspronkelijke besluit.
De Raad concludeerde dat de functies die appellant kan vervullen passend zijn bij zijn opleidingsniveau en fysieke beperkingen. De eerdere vernietiging van het besluit door de rechtbank op dit punt blijft gehandhaafd, maar het bestreden besluit wordt in hoger beroep bevestigd omdat het CBBS-systeem aanvaardbaar is en de medische grondslag correct is vastgesteld.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak bevestigt daarmee het oordeel over de mate van arbeidsongeschiktheid en de rechtsgeldigheid van het beoordelingssysteem.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het bestreden besluit en stelt de arbeidsongeschiktheid vast op 25 tot 35%.