ECLI:NL:CRVB:2005:AU7800

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 december 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05-1832 CSV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N.J. van Vulpen-Grootjans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging besluit over looncorrecties wegens niet-betaalde huur dienstwoning

In deze zaak is hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Dordrecht over looncorrecties en boeten die zijn opgelegd wegens het niet in rekening brengen van huur voor dienstwoningen aan werknemers. De looncontrole vond plaats in 2001 en leidde tot correctienota's voor de jaren 1997 tot en met 2000 en 2002, gebaseerd op de aanname dat betrokken werknemers gratis een dienstwoning gebruikten.

De Raad stelde vast dat de correcties berustten op een juiste grondslag, namelijk dat de dienstwoningen als loon in natura moesten worden verantwoord. De economische huurwaarde werd vastgesteld op basis van de contractuele afspraken tussen de werkgever en de werknemers, waarin een vergoeding van f 600,-- per maand was overeengekomen. De stelling van appellante dat de werkelijke huurwaarde lager zou zijn, werd niet onderbouwd met een beschikking van de belastinginspecteur.

De rechtbank had het beroep tegen het eerdere besluit niet-ontvankelijk verklaard omdat appellante geen belang meer had bij inhoudelijke behandeling. De Raad onderschrijft dit oordeel en bevestigt tevens dat de correcties en boeten terecht zijn gehandhaafd. De klacht over het uitblijven van terugbetaling van teveel betaalde bedragen wordt niet inhoudelijk beoordeeld. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit dat de looncorrecties en boeten terecht zijn opgelegd wegens niet-betaalde huur voor dienstwoningen.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
05/1832 CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft J.Th. Smiesing hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 11 februari 2005 met kenmerk 03/423.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 10 november 2005, waar appellante zich heeft doen vertegenwoordigen door haar directeur [naam directeur] en door F.J.M. Torremans, verbonden aan Lukaart Nieuwenhuysen Registeraccountants te Dordrecht. Gedaagde is met voorafgaand bericht niet verschenen.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de in dit geding relevante feiten en omstandigheden en de van toepassing zijnde wet- en regelgeving verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het vermelden van de volgende, voor de beoordeling van het hoger beroep van belang zijnde gegevens.
Op 5 september 2001 is bij appellante een looncontrole uitgevoerd, in het kader waarvan laatstelijk op 19 september 2002 is gesproken met F.J.M. Torremans. De looninspecteur heeft zijn bevindingen in een rapport van 27 september 2002 neergelegd en, nadat op 25 oktober 2002 van de zijde van appellante op dit rapport was gereageerd, op 22 november 2002 nader gerapporteerd. Gedaagde heeft bij besluiten van 18 december 2002 over de jaren 1997 tot en met 2000 en 2002 aan appellante correctienota’s opgelegd, welke zijn gebaseerd op het standpunt dat de werknemers [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (hierna: betrokkenen) de beschikking hebben over een dienstwoning waarvoor geen huur in rekening wordt gebracht noch een bijtelling bij het loon plaatsvindt, zodat sprake is van loon in natura ten bedrage van de huurwaarde. Daarbij is voor de eerste helft van het jaar 2000 uitgegaan van een huurwaarde van f 600,-- per maand. Bij besluiten van 23 december 2002 zijn over de jaren 1998 tot en met 2000 boeten opgelegd. Na bezwaar heeft gedaagde de opgelegde nota’s bij besluit van 7 april 2003 gehandhaafd. Tegen dit besluit heeft appellante beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij besluit van 21 mei 2004 heeft gedaagde - onder intrekking van het besluit van 7 april 2003 - de bezwaren van appellante gegrond verklaard voorzover deze betrekking hebben op de perioden van bewoning door betrokkenen en daarmee op de hoogte van de opgelegde correctie- en boetenota’s. Voor het overige zijn de bezwaren ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 7 april 2003 niet-ontvankelijk verklaard. Zij heeft het beroep van appellante mede gericht geacht tegen het besluit van 21 mei 2004 en dat beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellante deze uitspraak gemotiveerd bestreden.
De Raad is in de eerste plaats van oordeel dat de rechtbank met juistheid heeft vastgesteld dat niet is gesteld of gebleken dat appellante nog belang had bij een inhoudelijke beoordeling van het tegen het - ingetrokken - besluit van 7 april 2003 ingestelde beroep en dat beroep om die reden terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Aan dit oordeel kan geen afbreuk doen dat, zoals appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, gedaagde op basis van het bezwaarschrift tegen de correctienota’s al eerder had behoren te onderkennen dat betrokkenen niet gelijktijdig in de dienstwoning hebben gewoond en dat de bij het besluit van 7 april 2003 gehandhaafde correcties te hoog waren.
Met betrekking tot het besluit van 21 mei 2004 overweegt de Raad het volgende.
De Raad stelt vast dat na het opmaken van de looncontrolerapporten is komen vast te staan dat de daarin vermelde perioden van gebruik van de dienstwoning onjuist zijn. Dit heeft geleid tot de in het besluit van 21 mei 2004 aangegeven wijziging van de perioden van gebruik van de dienstwoning. De Raad heeft voor het overige in de gedingstukken geen gegevens aangetroffen welke de opvatting van appellante steunen dat het looncontrolerapport ondeugdelijk is. De Raad stelt verder vast dat appellante na het uitbrengen van bedoeld rapport voldoende in de gelegenheid is gesteld om op de inhoud van dat rapport te reageren.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat in essentie erop neerkomt dat in het onderhavige geval sprake is van een als loon in natura aan te merken voordeel uit dienstbetrekking, aangezien appellante met betrokkenen een contract inzake de aanwijzing van een dienstwoning heeft afgesloten maar zij de daarin voor het gebruik van de woning overeengekomen vergoeding niet door inhouding op hun loon of anderszins hebben betaald. Voor de stelling van appellante dat het hier niet ging om een vergoeding voor het gebruik van de woning maar om het bedrag aan schadevergoeding dat betrokkenen verschuldigd zouden zijn in het geval zij de woning niet (tijdig) zouden ontruimen bij het einde van hun dienstverband is in de overeenkomst noch in de overige gedingstukken een aanknopingspunt te vinden.
Met betrekking tot de hoogte van de vastgestelde economische huurwaarde heeft gedaagde ook naar het oordeel van de Raad mogen uitgaan van de overeenkomsten welke appellante met betrokkenen heeft gesloten over de bewoning en het gebruik van de dienstwoning. In deze - gedetailleerde - overeenkomsten is bepaald dat de vergoeding voor het gebruik van de dienstwoning f 600,-- per maand bedraagt en dat de werkgever bevoegd is deze vergoeding in mindering te brengen op het door de werkgever aan de werknemer verschuldigde loon. De stelling van appellante dat de economische huurwaarde van de dienstwoning niet meer dan f 150,00 of f 200,00 per maand zou bedragen, onder meer omdat de woning slechts een gering gedeelte van het bedrijfspand zou uitmaken, is van de zijde van appellante niet door middel van een beschikking van de inspecteur der directe belastingen onderbouwd. In dit verband vermeldt de Raad nog dat de huur voor het gehele bedrijfspand, dat volgens opgaaf van appellante uit twee verdiepingen bestaat, f 48.000,-- per jaar bedraagt.
Over de klacht van appellante dat door gedaagde aan het besluit van 21 mei 2004 nog geen uitvoering zou zijn gegeven door middel van terugbetaling van een gedeelte van de reeds betaalde correctie- en boetenota’s komt de Raad in dit geding geen oordeel toe. De Raad gaat ervan uit dat gedaagde op grond van de uitspraak van de Raad in dit geding op korte termijn tot toezending van gecorrigeerde nota’s en tot de financiële afwikkeling daarvan zal overgaan.
Het voorgaande leidt de Raad tot het oordeel dat de rechtbank het besluit van 21 mei 2004 wat de premiecorrecties over de jaren in geding terecht in stand heeft gelaten. Aangezien appellante geen zelfstandige grieven heeft aangevoerd ten aanzien van de boetenota’s, kan de aangevallen uitspraak ook op dit onderdeel in stand blijven.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 december 2005.
(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.
(get.) A. Kovács.