ECLI:NL:CRVB:2005:AU7816

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 november 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/2623 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.A.A.G. Vermeulen
  • K. Zeilemaker
  • K.J. Kraan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 WbpArt. 8 WbpArt. 8:73 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing schadevergoeding wegens verstrekking persoonsgegevens zonder toestemming

Appellante, voormalig ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst, werd na een eervol ontslag disciplinair gestraft wegens een e-mail met kritiek op leidinggevenden. Deze straf werd door de rechtbank als onevenredig beoordeeld en vernietigd. Bij een sollicitatie naar een functie als parketsecretaris werd informatie over deze disciplinaire straf en het advies van de bezwaaradviescommissie verstrekt aan het parket, wat leidde tot twijfel over haar geschiktheid.

Appellante vorderde schadevergoeding wegens loonderving, stellende dat de verstrekking van haar persoonsgegevens zonder toestemming in strijd was met de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). De Minister van Justitie wees dit verzoek af, en de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het parket niet als derde partij in de zin van de Wbp kan worden beschouwd omdat het bestuursorgaan dat de gegevens verstrekte ook de beoogde werkgever was. Verder is het verwerken van persoonsgegevens toegestaan zonder toestemming indien voldaan wordt aan andere voorwaarden van artikel 8 Wbp Pro, waaronder het gerechtvaardigde belang van de verantwoordelijke.

De Raad vond dat het verstrekken van informatie noodzakelijk was voor het vormen van een oordeel over de geschiktheid van appellante voor de functie, en dat dit gerechtvaardigde belang zwaarder woog dan het persoonlijke belang van appellante bij geheimhouding. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitspraak

04/2623 AW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Minister van Justitie, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellante heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 29 maart 2004, nr. Awb 03 - 1372 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft meegedeeld geen verweerschrift te zullen indienen.
Het geding is behandeld ter zitting van 1 september 2005, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J.A. Koops-Scheele, advocaat te Amsterdam. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.A. in ’t Veen, werkzaam bij het Ministerie van Justitie.
II. MOTIVERING
1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.2. Appellante was werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van het Ministerie van Justitie. Aan haar is per 1 mei 2002 op verzoek eervol ontslag verleend. Voorafgaand aan haar vertrek heeft zij per e-mail afscheid genomen van alle medewerkers van drie directies van de IND, in welke mail kritiek werd geleverd op twee met name genoemde leidinggevenden. Gedaagde heeft deze e-mail aangemerkt als smaad en laster. In verband daarmee is appellante disciplinair gestraft met inhouding van een half maandsalaris. De bezwaaradviescommissie heeft geadviseerd deze straf om te zetten in een berisping, welk advies niet is gevolgd. Het besluit tot handhaving van de straf van inhouding van een half maandsalaris is vernietigd door de rechtbank, waarbij is overwogen dat de straf onevenredig is.
1.3. De sollicitatie van appellante in november 2002 naar de functie van gerechtssecretaris bij het parket te Amsterdam heeft niet geleid tot benoeming in deze functie, omdat het parket, nadat vanwege de IND desgevraagd informatie is verstrekt over appellantes disciplinaire bestraffing en haar optreden dat tot die bestraffing heeft geleid, twijfel had over een aantal vaardigheden waarover appellante zou moeten beschikken als parketsecretaris.
1.4. Bij brief van 7 januari 2003 heeft appellante zich tot de IND gewend met een verzoek om schadevergoeding wegens loonderving, daartoe stellende dat de IND door het zonder toestemming verstrekken van informatie omtrent haar functioneren aan het parket jegens haar als gewezen ambtenaar onrechtmatig, want in strijd met de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp), heeft gehandeld. Op dit verzoek is door gedaagde afwijzend beslist, welk besluit na bezwaar is gehandhaafd bij het bestreden besluit van 8 juli 2003.
2. De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
3. Ingevolge artikel 8 van Pro de Wbp mogen persoonsgegevens slechts worden verwerkt indien:
a. de betrokkene voor de verwerking zijn ondubbelzinnige toestemming heeft verleend;
b. (……..)
c. (………)
d. (………)
e. de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak door het desbetreffende bestuursorgaan dan wel het bestuursorgaan waaraan de gegevens worden verstrekt, of
f. de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van de verantwoordelijke of van een derde aan wie de gegevens worden verstrekt, tenzij het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene, in het bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, prevaleert.
Onder verwerking van persoonsgegevens wordt ingevolge artikel 1 van Pro de Wbp verstaan: elke handeling of elk geheel van handelingen met betrekking tot persoonsgegevens, waaronder in ieder geval het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiding of enige andere vorm van terbeschikkingstelling, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van gegevens.
4.1. De omstreden informatie bestond in dit geval uit (i) het telefonisch doorgeven aan het parket door een medewerkster personeelszaken van de IND dat appellante disciplinair was bestraft en uit (ii) het op verzoek toezenden van het advies van de bezwaarschriftencommissie, waarin de opgelegde straf onevenredig werd bevonden en een lichtere straf werd geadviseerd, aan het parket. Appellante stelt dat zij voor (i) in het geheel geen toestemming heeft gegeven en dat zij met betrekking tot (ii) slechts heeft ingestemd met het doen van mededelingen over de onevenredigheid van de straf.
4.2. De Raad stelt allereerst vast dat appellante tot 1 mei 2002 was aangesteld door gedaagde, en dat gedaagde ook de beoogde nieuwe werkgever was. Gedaagde was immers ten tijde in geding het tot aanstellen van een parketsecretaris bevoegde bestuursorgaan. Dit betekent niet alleen dat het parket in dit geval niet als een derde in de zin van de Wbp kan worden beschouwd, zoals ter zitting nog namens gedaagde wel is betoogd, maar ook dat geen sprake is van het verstrekken of doorzenden van gegevens in hiervoor bedoelde zin. Naar het oordeel van de Raad is aan de orde het raadplegen of gebruiken van persoonsgegegevens door de verantwoordelijke, te weten gedaagde. Dat appellante tussentijds geen dienstverband had met gedaagde maakt dat niet wezenlijk anders.
4.3. De stelling van appellante dat het verwerken van haar persoonsgegevens slechts was toegestaan indien zij daarvoor ondubbelzinnig toestemming had verleend, miskent dat zodanige verwerking ook toelaatbaar is indien is voldaan aan een van de andere voorwaarden genoemd in artikel 8 van Pro de Wbp. De Raad is op grond van de stukken van oordeel dat dit laatste het geval is en gaat om die reden voorbij aan de vraag of en in hoeverre hier al dan niet toestemming was verleend door appellante. De Raad kan om dezelfde reden daarlaten de stelling van gedaagde dat de Wbp niet van toepassing is op louter mondelinge mededelingen over personen.
4.4. De Raad is voorts van oordeel dat het raadplegen van appellantes persoonsgegevens in haar personeelsdossier, welke gegevens betrekking hebben op haar wijze van functioneren als justitieambtenaar in haar voormalige functie, noodzakelijk kan worden geacht voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van gedaagde. Gedaagde diende zich immers een oordeel te vormen omtrent de geschiktheid van appellante voor de door haar geambieerde functie van parketsecretaris, meer in het bijzonder over haar integriteit, en voor het vormen van dat oordeel was informatie over eerder functioneren van appellante van groot belang. Tegen dat gerechtvaardigde belang kan niet opwegen het persoonlijke belang van appellante om informatie over haar disciplinaire bestraffing en de daaraan ten grondslag liggende gedraging achter te houden.
Het door appellante gestelde leidt evenmin tot het oordeel dat gedaagde anderszins heeft gehandeld in strijd met het geschreven of ongeschreven recht.
4.5. Gelet hierop kan het hoger beroep van appellante niet slagen. De aangevallen uitspraak komt dus voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak
Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. K. Zeilemaker en mr. K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van mr. E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 november 2005.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.