ECLI:NL:CRVB:2005:AU7820
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- J.W. Schuttel
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, die sinds november 1997 wegens psychische klachten niet kon werken, kreeg in juni 2002 zijn WAO-uitkering ingetrokken omdat zijn arbeidsongeschiktheid was gedaald tot minder dan 15%. Appellant stelde dat hij psychisch veel meer beperkt was en niet kon werken. De rechtbank ’s-Gravenhage oordeelde dat de medische onderzoeken van de verzekeringsartsen voldoende waren en dat de mate van arbeidsongeschiktheid juist was vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de rechtbank onvoldoende rekening had gehouden met zijn psychische beperkingen en dat het besluit in strijd was met het EVRM en het evenredigheidsbeginsel. De Raad verwierp deze grieven, oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, en dat de medische rapporten geen aanwijzingen gaven voor een hogere mate van arbeidsongeschiktheid.
De Raad concludeerde dat de intrekking van de WAO-uitkering rechtens juist was en bevestigde het bestreden besluit. Rapporten van andere artsen die appellant overlegde, boden volgens de Raad geen voldoende grondslag voor een ander oordeel, mede omdat deze zich niet richtten op de relevante datum van intrekking.
De Raad wees erop dat een eventuele verslechtering van de situatie na de intrekkingsdatum voor dit geding niet relevant was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering bleef in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.