ECLI:NL:CRVB:2005:AU7912
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- J.W. Schuttel
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Herziening van WAO-uitkering met terugwerkende kracht in strijd met rechtszekerheidsbeginsel
Gedaagde, die sinds 1988 arbeidsongeschikt was verklaard, kreeg een WAO-uitkering toegekend die vanaf 1996 werd berekend op 80-100% arbeidsongeschiktheid. Uit een rapport werknemersfraude bleek dat hij vanaf 1997 tegen betaling kluswerkzaamheden verrichtte. Appellant (Uwv) herzag daarop de uitkering met terugwerkende kracht vanaf 10 april 1997 naar 25-35% en legde kortingen, terugvordering en een boete op.
De rechtbank verklaarde het beroep van gedaagde gegrond en vernietigde de herzieningsbesluiten vanwege strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, omdat het voor gedaagde niet redelijkerwijs duidelijk was dat zijn medische situatie anders zou zijn ingeschat als hij zijn werkzaamheden direct had gemeld. Appellant ging in hoger beroep tegen deze beslissing.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank. De Raad stelt vast dat de omvang van de werkzaamheden te gering was om te concluderen dat gedaagde redelijkerwijs had moeten begrijpen dat hij recht op de uitkering miste. De medische onderbouwing van de herziening was onvoldoende overtuigend. De Raad veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde en bepaalt dat appellant een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van de overwegingen.
Uitkomst: De herziening van de WAO-uitkering met terugwerkende kracht wordt vernietigd omdat het rechtszekerheidsbeginsel dit niet toestaat.