ECLI:NL:CRVB:2005:AU8040
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- J.W. Schuttel
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Bevestiging en vernietiging uitspraak over terugvordering WAO-uitkering met terugwerkende kracht
Belanghebbende ontving een WAO-uitkering die op basis van gewijzigde arbeidsinkomsten met terugwerkende kracht vanaf 1 september 1998 werd verminderd. Het bestuursorgaan had de uitkering aangepast en een terugvordering ingesteld over de periode 1 september 1998 tot 28 februari 2001. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze besluiten, waarvan het bezwaar tegen de terugvordering door het bestuursorgaan werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de vermindering ongegrond, maar vernietigde het besluit over de terugvordering en beval een nieuw besluit.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de vermindering van de uitkering met terugwerkende kracht gerechtvaardigd is, omdat belanghebbende tijdig melding had gemaakt van zijn hogere arbeidsinkomsten en bekend was met de mogelijkheid van vermindering. Het rechtszekerheidsbeginsel stond dit niet in de weg. Het beroep tegen de vermindering wordt daarom ongegrond verklaard.
Tegelijkertijd oordeelt de Raad dat het beroep tegen de terugvordering terecht gegrond was omdat geen ondubbelzinnige schriftelijke toezegging bestond dat van terugvordering zou worden afgezien. De mededeling van belanghebbende dat hij rekening hield met terugvordering ondersteunt dit oordeel. De Raad vernietigt daarom het eerdere oordeel van de rechtbank en verklaart het beroep tegen de terugvordering ongegrond.
De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en bevestigt het besluit over de vermindering van de uitkering, terwijl het beroep tegen de terugvordering wordt afgewezen.
Uitkomst: De vermindering van de WAO-uitkering met terugwerkende kracht wordt bevestigd, het beroep tegen de terugvordering wordt ongegrond verklaard.