ECLI:NL:CRVB:2005:AU8162
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- J.W. Schuttel
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toepassing kortingsregeling artikel 44 WAO bij hogere inkomsten uit arbeid
Appellante stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem over de toepassing van artikel 44 van Pro de WAO, waarbij haar uitkering werd aangepast vanwege hogere inkomsten uit arbeid per 1 januari 2000. Zij voerde aan dat haar verlies aan verdiencapaciteit minimaal 25% bleef omdat zij niet meer uren werkte dan voorheen.
De Raad overwoog dat de kortingsregeling in artikel 44 WAO Pro vereist dat de fictieve mate van arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld door het maatmaninkomen te vergelijken met de feitelijke inkomsten uit arbeid. De door appellante voorgestelde berekeningswijze op basis van arbeidsuren wordt niet gevolgd.
De Raad concludeert dat het Uwv de regeling correct heeft toegepast door de hogere verdiensten af te zetten tegen het maatmaninkomen, wat leidt tot een fictieve arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat appellante geen vergelijkbare gevallen heeft aangetoond.
Daarmee wordt de uitspraak van de rechtbank bevestigd en blijft de korting op de WAO-uitkering in stand.
Uitkomst: De korting op de WAO-uitkering is terecht toegepast op basis van het maatmaninkomen en de feitelijke inkomsten uit arbeid.