ECLI:NL:CRVB:2005:AU8164
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak over premienahandhaving en onbekendheid met Fooienbesluit
Appellante, exploitant van twee cafés, werd geconfronteerd met correctienota’s en boetenota’s wegens premienahandhaving over de jaren 1996-1999, gebaseerd op het Fooienbesluit dat de waardering van fooien regelt. De rechtbank Amsterdam vernietigde het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) en bepaalde dat het UWV opnieuw moest beslissen, met aandacht voor de functie-indeling van werknemers en de evenredigheid van opgelegde boetes.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij niet op de hoogte was van het Fooienbesluit en dat dit een bijzondere omstandigheid vormde om de naheffing achterwege te laten. De Raad verwierp dit standpunt en bevestigde dat een werkgever geacht wordt op de hoogte te zijn van toepasselijke wet- en regelgeving, waaronder het Fooienbesluit dat voortvloeit uit artikel 7 van Pro de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV).
De Raad benadrukte dat onbekendheid met dwingendrechtelijke regels geen grond is om daarvan af te wijken. Ook verwees de Raad naar artikel 4 van Pro de CSV, waarin loonbegrip wordt omschreven. De uitspraak van de rechtbank werd daarmee bevestigd, en het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat onbekendheid met het Fooienbesluit geen bijzondere omstandigheid is om premienahandhaving te voorkomen.