ECLI:NL:CRVB:2005:AU8173
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging correctie- en boetenota’s wegens te weinig opgegeven loon in horecagelegenheid
Appellant exploiteert een Egyptisch eethuis te Amsterdam en werd geconfronteerd met correctie- en boetenota’s over de jaren 1998 tot en met 2000 wegens vermoedelijk te weinig opgegeven loon. Dit volgde op een opsporingsonderzoek naar illegale arbeid, waarbij waarnemingen, een controle op identiteitsbewijzen en getuigenverklaringen een rol speelden.
De Raad sloot zich aan bij de rechtbank Amsterdam die het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) om de nota’s te handhaven, rechtmatig achtte. De Raad vond de aannames over de openingstijden, arbeidsinzet en het aantal medewerkers aannemelijk, mede gelet op verklaringen en het Fooienbesluit dat bij de loonberekening werd toegepast.
Appellants verweer dat hij vaak door familieleden werd bijgestaan en dat zijn echtgenote werkzaam was, werd onvoldoende onderbouwd. Ook de afstand van een getuige van diens verklaring deed aan de betrouwbaarheid daarvan niets af. De Raad oordeelde dat sprake was van ernstige en omvangrijke fraude, rechtvaardigend dat de boetenota’s gehandhaafd blijven.
De Raad vond geen aanleiding tot toepassing van artikel 8:75 Awb Pro en zag geen schending van de redelijke termijn. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de correctie- en boetenota’s worden gehandhaafd.