ECLI:NL:CRVB:2005:AU8227
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- J.E. Meijer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-herziening WAO-uitkering onder toepassing artikel 37 lid 2 WAO
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen om haar WAO-uitkering, vastgesteld op een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, per 1 maart 2001 ongewijzigd te laten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en ook in hoger beroep werd dit oordeel bevestigd.
De kernvraag was of de beperkingen die in 2001 tot volledige arbeidsongeschiktheid leidden, voortkwamen uit dezelfde ziekteoorzaak als die waarop de eerdere uitkeringsherziening in 1977 was gebaseerd. Hoewel in 1995 en 2001 een hogere mate van arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld, werd de uitkering niet herzien vanwege toepassing van artikel 37, tweede lid, WAO.
De Raad onderschreef de overwegingen van de rechtbank en vond geen aanwijzingen dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid een andere medische oorzaak had dan de oorspronkelijke. Daarom was het besluit tot niet-herziening terecht. Ook was geen grond aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WAO-uitkering niet herzien wordt omdat de toegenomen arbeidsongeschiktheid niet uit een andere oorzaak voortkomt.