ECLI:NL:CRVB:2005:AU8257
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Bevestiging hoofdelijke aansprakelijkheid vennootschap voor premies werknemersverzekeringen
De vennootschap werd door het bestuursorgaan op grond van artikel 16a van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor premies werknemersverzekeringen die [naam BV] B.V. verschuldigd was over personeel dat in de jaren 1997 tot 1999 aan de vennootschap was uitgeleend. De rechtbank stelde de vennootschap aansprakelijk tot 2 oktober 1998, maar vernietigde het besluit voor de periode daarna.
In hoger beroep bestreden zowel het bestuursorgaan als de vennootschap deze uitspraken. De vennootschap voerde aan dat zij niet aansprakelijk was en dat het bestuursorgaan niet alle relevante stukken had ingebracht. De Raad oordeelde dat het onderzoek volledig was en dat de vennootschap geen concrete aanwijzingen had geleverd om het onderzoek te heropenen. Ook was er geen sprake van onrechtmatig verkregen bewijs.
De Raad benadrukte dat de vennootschap op grond van artikel 16a CSV in beginsel hoofdelijk aansprakelijk is voor premies over het uitgeleende personeel, tenzij aan specifieke vrijwaringsvoorwaarden is voldaan. Voor de periode tot 1 juli 1998 waren deze voorwaarden niet vervuld, waardoor de aansprakelijkheid bleef bestaan. Voor de periode na 1 juli 1998, na inwerkingtreding van de WAADI, was vrijwaring alleen mogelijk via stortingen op een geblokkeerde G-rekening, maar de vennootschap was bekend met het karakter van de rekening waarop betalingen werden gedaan, die geen vrijwaring boden.
Daarnaast oordeelde de Raad dat het bestuursorgaan ondanks signalen van fraude bij [naam BV] niet tijdig en adequaat had gereageerd door verklaringen omtrent betalingsgedrag in te trekken, waardoor de aansprakelijkstelling voor de periode na 2 oktober 1998 niet stand kon houden. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde het bestuursorgaan tot betaling van proceskosten aan de vennootschap.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de hoofdelijke aansprakelijkheid van de vennootschap voor premies tot 2 oktober 1998 en wijst het hoger beroep af.