ECLI:NL:CRVB:2005:AU8260

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 december 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/917 CSV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:69 AwbArt. 8:75 AwbArt. 12c Coördinatiewet Sociale Verzekering
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoofdelijk aansprakelijkheid bestuurder voor onbetaalde boetenota’s ondanks strafrechtelijk onderzoek

Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), stelde gedaagde hoofdelijk aansprakelijk voor onbetaalde premienota’s en boetenota’s van [naam BV] over 1998 en 1999. De rechtbank Rotterdam oordeelde dat gedaagde terecht als feitelijk beleidsbepaler werd aangemerkt en aansprakelijk was voor de premienota’s, maar dat aansprakelijkstelling voor de boetenota’s werd belemmerd door een lopend strafrechtelijk onderzoek op grond van artikel 12c Coördinatiewet Sociale Verzekering.

Het UWV ging in hoger beroep tegen dit laatste oordeel. De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat gedaagde in eerste aanleg geen grieven had aangevoerd tegen de aansprakelijkstelling voor de boetenota’s, waardoor de rechtbank buiten de grenzen van het geschil was getreden door hierover te oordelen. Dit was in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

De Raad vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep van appellant ongegrond, zonder inhoudelijk in te gaan op de vraag of het strafrechtelijk onderzoek aansprakelijkstelling in de weg stond. Tevens werd geen toepassing gegeven aan artikel 8:75 Awb Pro. De uitspraak werd in het openbaar gegeven op 8 december 2005.

Uitkomst: De Centrale Raad vernietigt het oordeel van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van het UWV ongegrond.

Uitspraak

04/917 CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam, kenmerk 03/1898, van 15 december 2003.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 22 september 2005, waar appellant zich - na daartoe opgeroepen te zijn - heeft doen vertegenwoordigen door
mr. M.M. Odijk en P.R.H. Min, beiden werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. P.C.M. Dirven, advocaat te Etten-Leur.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 20 december 2002 - hierna: het bestreden besluit - heeft appellant de bezwaren van gedaagde tegen het besluit van 3 juni 2002 ongegrond verklaard. In dat besluit was gedaagde medegedeeld dat hij hoofdelijk aansprakelijk werd gesteld voor door [naam BV] B.V. (hierna: [naam BV]) over de jaren 1998 en 1999 onbetaald gelaten nota’s ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten. Gedaagde werd door appellant gezien als iemand die in genoemde jaren bij [naam BV] het beleid bepaalde of mede bepaalde als ware hij bestuurder. Gedaagde is aansprakelijk gesteld voor zowel onbetaald gelaten premienota’s als onbetaald gebleven boetenota’s tot een totaal bedrag van € 1.741.715,42 (fl. 3.838.235,73).
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak als haar oordeel uitgesproken dat gedaagde door appellant terecht als feitelijk beleidsbepaler / bestuurder is aangemerkt en dat hij derhalve in principe terecht hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor de onbetaald gebleven nota’s. Echter, voorzover het betrof de aansprakelijkstelling voor de boetenota’s, is de rechtbank van oordeel dat dit ten onrechte is geschied omdat, nu gedaagde als bestuurder van [naam BV] onderwerp was van een strafrechtelijk onderzoek, artikel 12c van de Coördinatiewet Sociale Verzekering er aan in de weg stond hem lopende dit onderzoek aansprakelijk te stellen voor deze nota’s.
Tegen deze overweging van de rechtbank richt zich het hoger beroep van appellant.
Het Uwv is ten eerste van mening dat de rechtbank buiten de omvang van het geding is getreden door een oordeel te geven over de aansprakelijkstelling voor de boetenota’s, nu gedaagde hiertegen in de loop van de procedure geen grieven heeft aangevoerd.
De Raad overweegt als volgt.
Nu slechts appellant in hoger beroep is gekomen, behoeft nog slechts bespreking de vraag of gedaagde ook voor de aan [naam BV] opgelegde en (deels) onbetaald gebleven boetenota’s hoofdelijk aansprakelijk gesteld kan worden.
De Raad is van oordeel dat uit de gedingstukken blijkt dat gedaagde in eerste aanleg geen afzonderlijke grieven heeft aangevoerd omtrent de aansprakelijkstelling voor de boetenota’s. De Raad moet dan ook vaststellen dat de rechtbank met haar oordeel over de vraag of het strafrechtelijk onderzoek aan de aansprakelijkstelling van gedaagde voor de boetenota’s in de weg stond is getreden buiten de grenzen van het aan haar voorgelegde geschil en aldus het bepaalde in artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in acht heeft genomen.
Nu reeds deze grief van appellant leidt tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, behoeven de overige grieven geen bespreking meer.
Dit alles leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad acht tenslotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Awb en beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 december 2005.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) J.P. Mulder.
RB0612