Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2005:AU8293

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 november 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/5920 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 WWArt. 8:75 AwbBesluit sollicitatieplicht werknemers WW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Korting op WW-uitkering wegens onvoldoende sollicitatie ondanks jonge moeder met tweeling

De zaak betreft een geschil over een maatregel van 20% korting op de WW-uitkering van gedaagde wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten in de periode van 28 juli 2003 tot 17 november 2003. De rechtbank had het besluit vernietigd omdat gedaagde, gezien haar bijzondere omstandigheden als jonge moeder van een tweeling en het feit dat zij in de meeste weken wel solliciteerde, niet kon worden verweten dat zij onvoldoende had gesolliciteerd.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter anders. De Raad stelt dat gedaagde wist of redelijkerwijs kon weten dat zij minimaal één sollicitatie per week moest verrichten, zoals ook blijkt uit haar ondertekening van een brochure met de regels omtrent sollicitatieplicht. De Raad acht de periode lang genoeg om aan deze verplichting te voldoen en ziet de jonge moederschapssituatie niet als een bijzondere omstandigheid die vrijstelling rechtvaardigt.

Daarom vernietigt de Raad het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van appellant ongegrond. De korting op de WW-uitkering blijft gehandhaafd. Tevens wordt geen vergoeding van proceskosten toegekend.

Uitkomst: De korting van 20% op de WW-uitkering wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten wordt gehandhaafd.

Uitspraak

04/5920 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te Koog aan de Zaan, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank te Haarlem op 20 september 2004
gewezen uitspraak, reg. nr. Awb 04/540 WW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Het geding is behandeld ter zitting van 28 september 2005, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen mr. P. Nicolai, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, en waar gedaagde niet is verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Bij besluit van 27 augustus 2003 heeft appellant gedaagde in verband met onvoldoende sollicitatieactiviteiten een maatregel opgelegd in de vorm van een korting van de WW-uitkering met 20% over de periode van 28 juli 2003 tot 17 november 2003. Bij besluit van 26 februari 2004, het bestreden besluit, heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 27 augustus 2003 ongegrond verklaard en de opgelegde maatregel gehandhaafd. Daartoe is overwogen dat gedaagde in de periode van 1 juli 2003 tot 27 juli 2003 onvoldoende sollicitatieactiviteiten heeft verricht.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd.
De rechtbank heeft daartoe overwogen dat niet in geschil is dat gedaagde in de week van 1 juli 2003 niet heeft gesolliciteerd. Echter, gelet op de omstandigheid dat gedaagde in de tweede, derde en vierde week van de betreffende periode van 1 juli 2003 tot 27 juli 2003, alsmede in de daaraan voorafgaande week, wél steeds éénmaal heeft gesolliciteerd, én de omstandigheid dat zij eerst halverwege de eerste week haar intakegesprek had als gevolg waarvan die week niet als een volle week telt, kan aan gedaagde mede in het licht van haar bijzondere omstandigheden als jonge moeder van een tweeling, niet verweten worden dat zij in de resterende dagen van die week geen sollicitatie heeft verricht. Mitsdien kan haar volgens de rechtbank niet worden verweten dat ze in de desbetreffende periode in onvoldoende mate heeft getracht passende arbeid te verkrijgen.
De Raad overweegt als volgt.
Het hoger beroep beperkt zich tot de vraag of de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat aan gedaagde geen maatregel opgelegd dient te worden op de grond dat het niet nakomen door haar van de in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW opgenomen verplichting om te voorkomen dat zij werkloos is of blijft doordat zij in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen, haar niet kan worden verweten. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend.
De Raad is van oordeel dat gedaagde wist, dan wel redelijkerwijs kon weten dat zij minimaal één sollicitatie per week diende te verrichten. In dit verband wijst
de Raad op het feit dat gedaagde op 2 juli 2003 getekend heeft voor de ontvangst van de brochure “ Aan welke regels moet ik mij houden”, waarin de concrete uitwerking van de wettelijke verplichting om passende arbeid te verwerven is vermeld. Op dat moment restten weliswaar nog enkele dagen van de beoordelingsperiode, maar niettemin was die periode lang genoeg om minimaal één sollicitatieactiviteit te verrichten, zoals van haar mocht worden verwacht ingevolge het Besluit sollicitatieplicht werknemers WW. Het gegeven dat gedaagde net bevallen was van een tweeling belette haar in de resterende periode niet om elke week éénmaal te solliciteren, derhalve ziet de Raad daarin geen bijzondere omstandigheid als door de rechtbank aangenomen.
In de feiten en omstandigheden van het geval ziet de Raad geen grond gelegen om af te zien van het opleggen van een maatregel, dan wel om te spreken van verminderde verwijtbaarheid.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen komt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. De aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit is vernietigd, komt derhalve voor vernietiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gewezen door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. J. Riphagen en
mr. M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van S. l’Ami als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 november 2005.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) S. l’Ami.