ECLI:NL:CRVB:2005:AU8597
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Ziekengeldweigering na ziekmelding vanuit WW-situatie bij rugklachten en WAO-uitkering
Gedaagde, werkzaam als wasserijmedewerkster, viel op 28 september 1998 uit met rug- en darmklachten. Na onderzoek door een verzekeringsarts in 1999 werden lichte beperkingen vastgesteld en werd haar arbeidsongeschiktheid op minder dan 15% geschat. Op basis hiervan werd haar WAO-uitkering geweigerd.
In 2003 meldde gedaagde zich ziek met rugklachten vanuit een WW-uitkeringssituatie. Appellant weigerde ziekengeld toe te kennen omdat gedaagde geschikt werd geacht voor de functies die eerder waren geselecteerd als maatstaf voor haar arbeid. De rechtbank vernietigde dit besluit echter, stellende dat de rugklachten buiten beschouwing waren gelaten en de maatstaf arbeid niet vaststond.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het belastbaarheidspatroon van juli 2001, waarin lichte beperkingen zijn vastgesteld, onverminderd van toepassing was op 14 februari 2003. De eerder geselecteerde functies waren passend bij deze belastbaarheid en gedaagde kon deze vervullen. De medische informatie, inclusief die van de behandelend neuroloog, werd adequaat betrokken bij de beoordeling. De Raad vernietigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van appellant ongegrond.
De Raad benadrukt dat onder 'zijn arbeid' in de Ziektewet wordt verstaan de laatstelijk feitelijk verrichte arbeid of, bij blijvende ongeschiktheid, de gangbare arbeid zoals nader geconcretiseerd bij de WAO-beoordeling. Het kunnen vervullen van één van de geselecteerde functies is voldoende om geschikt te zijn voor 'zijn arbeid'.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van ziekengeld gehandhaafd.