ECLI:NL:CRVB:2005:AU8869
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen vaststelling gedifferentieerde WAO-premie en eerste arbeidsongeschiktheidsdag
In deze zaak staat de vaststelling van de gedifferentieerde WAO-premie centraal, waarbij gedaagden bezwaar maakten tegen besluiten van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) over de premiehoogte voor de jaren 2002 en 2003. De rechtbank Amsterdam had eerder de beroepen van gedaagden gegrond verklaard en de besluiten vernietigd wegens onzorgvuldige voorbereiding en gebrek aan motivering.
De kern van het geschil betreft de vraag of de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van een ex-werknemer, die bepalend is voor de premieberekening, in bezwaar en beroep tegen premiebesluiten kan worden aangevochten. De Raad bevestigt dat artikel 87e van de WAO dit niet toestaat, omdat dit onderdeel uitsluitend in de procedure over de WAO-uitkering zelf kan worden betwist.
De Raad oordeelt dat gedaagde 1 niet-ontvankelijk is in haar bezwaar tegen het premiebesluit van 26 november 2001, omdat zij niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. Het beroep van gedaagde 1 tegen het besluit van 25 april 2002 wordt gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Het beroep van gedaagde 2 tegen het premiebesluit wordt ongegrond verklaard. De Raad wijst erop dat de stelling dat de ex-werknemer al arbeidsongeschikt was bij indiensttreding niet met bewijzen is onderbouwd.
Uitkomst: Het beroep van gedaagde 1 tegen het premiebesluit wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd; het beroep van gedaagde 2 wordt ongegrond verklaard.