ECLI:NL:CRVB:2005:AU8911

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 november 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/4891 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling herziening WAO-uitkering bij onderschatte beperkingen door verzekeringsarts

Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, stelde de WAO-uitkering van gedaagde, werkzaam als cateringmedewerkster, met ingang van 14 mei 2002 herzien vast op een arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, terwijl eerder 80 tot 100% was toegekend. Gedaagde betwistte deze herziening met verwijzing naar medische verklaringen over constante aangezichtspijn na operaties.

De rechtbank benoemde een neuroloog als deskundige, die concludeerde dat de beperkingen van gedaagde, zowel lichamelijk als geestelijk, door de verzekeringsarts zijn onderschat en dat zij niet in staat is tot de geduide arbeid. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de deskundige onvoldoende rekening hield met het functioneren in de thuissituatie en dat de rechtbank de deskundige niet had moeten volgen zonder nadere onderbouwing.

De Raad vroeg de deskundige om een nadere rapportage, waarin deze bevestigde dat gedaagde een patroon van basispijn en toenemende pijn vertoont, met noodzaak tot rust overdag, waardoor haar belastbaarheid te gering is voor regelmatige arbeid. De Raad oordeelt dat het bestreden besluit berust op een onjuiste medische grondslag en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Tevens veroordeelt de Raad appellant in de proceskosten van gedaagde.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot herziening van de WAO-uitkering berust op een onjuiste medische grondslag en wordt vernietigd.

Uitspraak

03/4891 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift met bijlage aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Assen op 20 augustus 2003 onder kenmerk 02/775 WAO gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde heeft A.G. Sol, medewerker van Stichting Univé Rechtshulp te Assen een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 18 oktober 2005, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P. Belopavlovic, werkzaam bij gedaagde (het Uwv) en waar gedaagde en haar gemachtigde met voorafgaand bericht niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Aan gedaagde, die voor haar uitval gedurende 35 uur per week werkzaam is geweest als cateringmedewerkster, is met ingang van 31 augustus 1998 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100 %. Met een besluit van 15 maart 2002 heeft appellant de uitkering met ingang van 14 mei 2002 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55 %. De bezwaren van gedaagde tegen deze herziening zijn met een besluit van 6 augustus 2002 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Namens gedaagde is in beroep onder verwijzing naar een verklaring van R.M. Mors, huisarts van gedaagde, betoogd dat gedaagde ten gevolge van constante aangezichtspijn na ondergane operaties in verband met huidcarcinoom niet gedurende de door de (bezwaar)verzekeringsarts aangenomen arbeidsomvang van maximaal 6 uur per dag arbeid kan verrichten. De rechtbank heeft daarop de neuroloog drs. O.G. Sie benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek.
Sie heeft op 7 februari 2003 aan de rechtbank gerapporteerd. Op de door de rechtbank gestelde vraag of de verzekeringsarts de beperkingen van gedaagde juist heeft ingeschat heeft Sie ontkennend geantwoord, daarbij aangevend dat zowel lichamelijke als geestelijke inspanning pijn bij gedaagde veroorzaakt en er nog geen optimale behandeling heeft plaatsgevonden. Sie heeft als zijn oordeel gegeven dat gedaagde niet in staat is tot het verrichten van de geduide arbeid. Op verzoek van de rechtbank heeft Sie zijn oordeel nader onderbouwd en aangegeven dat de belastbaarheid op alle 28 aspecten van het belastbaarheidspatroon is onderschat. De bezwaarverzekeringsarts van appellant heeft met een rapportage van 26 februari 2003 het oordeel van Sie bekritiseerd. Zij is van mening dat Sie niet op zorgvuldige wijze tot een oordeel over de belastbaarheid van gedaagde is gekomen omdat hij heeft verzuimd daarbij het functioneren van gedaagde in haar thuissituatie te betrekken.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard overwegend dat er aanleiding is de deskundige in zijn oordeel te volgen dat de beperkingen van gedaagde beduidend verder gaan dan door de verzekeringsarts zijn aangenomen en de fysieke en psychische belastbaarheid van gedaagde sterk zijn onderschat. De rechtbank stelt daarbij vast dat appellant niet heeft getracht het standpunt van de deskundige te weerleggen en niet is overgegaan tot aanpassing van het belastbaarheidspatroon.
In hoger beroep heeft appellant doen aanvoeren dat de rechtbank heeft nagelaten de deskundige te confronteren met de kritiek van de bezwaarverzekeringsarts op zijn rapportage en dat, waar de deskundige heeft verzuimd aan te geven op welke onderdelen en in welke mate de door de (bezwaar)verzekeringsarts van appellant opgestelde belastbaarheid van gedaagde aanpassing behoeft, er sprake is van een situatie waarin de rechtbank de ingeschakelde deskundige niet had moeten volgen.
De Raad heeft op 9 mei 2005 aan de deskundige gevraagd alsnog op de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 26 februari 2003 te reageren. Sie heeft op 16 juni 2005 een aanvullende rapportage aan de Raad doen toekomen. Daarin heeft hij aangegeven dat hij na nader onderzoek van gedaagde en bespreking met haar van een verslag van haar dagactiviteiten heeft vastgesteld dat er sprake is van een patroon van basispijn en dagelijks toenemende pijn en een noodzaak ook overdag enige uren te slapen, zodat de belastbaarheid van gedaagde te gering is om met enige regelmaat zowel binnenshuis als buitenshuis arbeid te verrichten.
Appellant heeft op deze nadere uitwerking door Sie van zijn oordeel over de belastbaarheid van gedaagde gereageerd met de stelling dat Sie een invulling geeft aan de beoordeling van de (niet) benutbare mogelijkheden van gedaagde die niet in overeenstemming is met de beoordeling die het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheids-wetten voorschrijft. Ter zitting van de Raad heeft appellant nogmaals betoogd dat de deskundige ten onrechte heeft aangenomen dat gedaagde in het geheel niet tot het verrichten van arbeid in staat zou zijn en dat de (bezwaar)verzekeringsarts met het aannemen van beperkingen op verschillende aspecten van het belastbaarheidspatroon de belastbaarheid van gedaagde afdoende in beeld heeft gebracht.
In geding is de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat aan de opvatting van de deskundige over de belastbaarheid van gedaagde beslissende betekenis toekomt. Daarbij neemt de Raad in ogenschouw dat Sie, zowel met zijn rapportages in eerste aanleg als met de uitgebreide gegevens die hij in hoger beroep heeft verstrekt, gemotiveerd heeft aangegeven waarom de (bezwaar)verzekeringsarts van appellant de beperkingen van gedaagde, die een gevolg zijn van de constante aangezichtspijn, heeft onderschat. De Raad acht van belang dat Sie gedaagde voorafgaand aan zijn rapportage van 16 juni 2005 tweemaal heeft gezien en uitvoerig aandacht heeft besteed aan de beperkingen die gedaagde in haar dagelijks functioneren ondervindt. De Raad ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de vaststelling door Sie dat het beeld zoals gedaagde van haar mogelijkheden en dagbesteding heeft geschetst in overeenstemming is met de door hem objectief vastgestelde medische aandoeningen. De Raad stelt voorts vast dat appellant niet heeft weersproken dat inspanning, zowel lichamelijk als psychisch, leidt tot een verheviging van de klachten van gedaagde en dat na een pijnaanval een grote vermoeidheid optreedt.
Ook de Raad is van oordeel dat het bestreden besluit op een onjuiste medische grondslag berust en daarom geen stand kan houden. Dat betekent dat de stelling van appellant dat Sie ten onrechte heeft geconcludeerd tot het ontbreken van duurzaam benutbare mogelijkheden, zo deze conclusie al uit zijn rapportages zou kunnen worden getrokken, geen verdere bespreking behoeft.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde. Deze kosten bedragen € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag van € 322,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een recht van € 414,- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. C.P.M. van de Kerkhof en mr. M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 november 2005.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.
BKH