ECLI:NL:CRVB:2005:AU8953
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld wegens onvoldoende beperkingen bij epilepsie
Appellant, voormalig werknemer bij een vriescentrale, werd op 14 augustus 2000 arbeidsongeschikt verklaard wegens klachten die aanvankelijk aan epilepsie werden toegeschreven. Na medisch onderzoek en beoordeling door verzekeringsartsen werden beperkingen vastgesteld, maar er werden passende functies geselecteerd waardoor appellant per 13 augustus 2001 niet langer arbeidsongeschikt werd geacht.
Na een ziekmelding in februari 2002 en diverse medische consulten, waaronder een brief van de behandelend neuroloog, werd appellant per 20 mei 2002 niet langer arbeidsongeschikt verklaard en werd het recht op ziekengeld ingetrokken. Het bezwaar hiertegen werd ongegrond verklaard door de Raad, die oordeelde dat er geen medische aanwijzingen waren voor een toename van beperkingen.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit ongegrond en stelde dat appellant op de datum in geding niet ongeschikt was voor de voorgestelde functies. De Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het argument dat appellant door epileptische aanvallen niet kon werken, mede vanwege normale EEG-uitslagen en het ontbreken van ernstige psychopathologie. Ook werd de stelling dat een angststoornis reeds bestond onvoldoende onderbouwd geacht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld omdat appellant niet ongeschikt was voor de voorgestelde functies.