ECLI:NL:CRVB:2005:AU8959
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld wegens ontbreken objectieve beperkingen
Appellante, werkzaam als uitzendkracht, meldde zich ziek wegens rugklachten en vroeg ziekengeld aan. Na onderzoek door verzekeringsarts L. Koobs op 19 maart 2002 werden geen duidelijke afwijkingen vastgesteld en werd zij per 20 maart 2002 niet langer arbeidsongeschikt geacht. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) besloot daarop het ziekengeld te beëindigen.
Appellante maakte bezwaar en werd opnieuw onderzocht door bezwaarverzekeringsarts W. Ruitenberg, die eveneens geen aanwijzingen vond voor objectieve beperkingen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit ongegrond en kende beslissende waarde toe aan de medische bevindingen. In hoger beroep werd dit oordeel bevestigd. De Centrale Raad van Beroep vond geen reden om de medische conclusies te betwijfelen en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig en verantwoord was uitgevoerd.
De Raad wees ook op het advies van verzekeringsarts S.R. van der Boom, dat de eerdere bevindingen onderschreef. De klacht van appellante over de hoogte van de ziekengelduitkering voor de periode vóór 20 maart 2002 werd niet in behandeling genomen omdat dit niet binnen het bestreden besluit viel. De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld wegens het ontbreken van objectieve medische beperkingen.