ECLI:NL:CRVB:2005:AU8968
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld wegens geschiktheid voor eigen werk ondanks fibromyalgieklachten
Appellante, werkzaam als apothekersassistente met een beperkt aantal uren per week, meldde zich op 14 februari 2002 ziek met klachten waaronder pijn aan handen en voeten en fibromyalgie-achtige symptomen. Gedaagde besloot op 19 april 2002 het ziekengeld te beëindigen per 4 april 2002, omdat zij niet ongeschikt werd geacht voor haar werk. Een verzekeringsarts concludeerde dat er geen objectiveerbare medische afwijkingen waren en dat appellante geschikt was voor haar arbeid.
Appellante voerde in bezwaar en beroep aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en haar klachten werden onderschat. Zij verwees naar een latere ziekmelding per 17 juni 2003 waarbij wel een Ziektewet-uitkering werd toegekend wegens erkende fibromyalgieklachten. De Raad overwoog dat het onderzoek van 4 april 2002 zorgvuldig was en dat de medische gegevens geen aanleiding gaven het standpunt van gedaagde te verwerpen.
De Raad erkende dat er na 4 april 2002 een toename van klachten was, maar stelde dat dit geen reden was om het eerdere besluit te herzien. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Maastricht werd bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld omdat appellante op en na 4 april 2002 geschikt was voor haar eigen werk.