ECLI:NL:CRVB:2005:AU8999
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- A.Q.C. Tak
- Rechtspraak.nl
Hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor premieschulden en kennelijk onbehoorlijk bestuur na faillissement horecaonderneming
Appellanten waren (middellijk) bestuurders van een vennootschap die diverse horecaondernemingen exploiteerde en die vanaf 2001 tot het faillissement in maart 2003 geen premies afdroeg. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) stelde hen op grond van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) hoofdelijk aansprakelijk voor de premies en boetes over 2002.
De rechtbank had de beroepen tegen de besluiten van het Uwv gegrond verklaard en vernietigd, met uitzondering van de nota’s die vóór het faillissement waren verzonden. De Raad voor de Rechtspraak stelde vast dat nieuwe besluiten van 24 januari 2005 de eerdere besluiten vervingen, waardoor het hoger beroep tegen de vernietigde besluiten niet-ontvankelijk was.
De Raad oordeelde dat appellanten niet aannemelijk hadden gemaakt dat het niet voldoen aan de meldingsplicht niet aan hen te wijten was. Uit onderzoek bleek dat de administratie van de vennootschap ernstig tekortschiet, met ontbrekende jaarrekeningen, bankafschriften en loonbelastingverklaringen. Tevens hadden appellanten geen financieel onderzoek verricht bij aanvang van hun bestuur, waardoor zij de financiële problemen hadden kunnen onderkennen.
Daarom was sprake van kennelijk onbehoorlijk bestuur en waren appellanten terecht hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de premieschulden, ook na het faillissement. De Raad bevestigde de besluiten van 24 januari 2005 en wees de grieven tegen het anoniementarief af.
Uitkomst: Het hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard en de besluiten van 24 januari 2005 werden bevestigd, waarbij appellanten hoofdelijk aansprakelijk werden gehouden voor de premieschulden wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur.