ECLI:NL:CRVB:2005:AU9000

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 december 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/6590 NABW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Algemene bijstandswet
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verzoek bijstandsuitkering wegens ontbreken bijstandbehoevende omstandigheden

Appellant en zijn echtgenote ontvingen tot 10 november 1999 algemene bijstand op grond van de Algemene bijstandswet. Na deze datum werden zij als zelfstandigen gedoogd zonder bijstand te ontvangen. Appellant verzocht in 2000 om bijstand over het jaar 1999 vanwege een negatief bedrijfsresultaat. Dit verzoek werd door het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven afgewezen omdat appellant niet in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad oordeelt dat het feit dat appellant en zijn echtgenote tot 10 november 1999 een volledige bijstandsuitkering ontvingen, betekent dat zij gedurende de in geding zijnde periode niet bijstandbehoevend waren. Het negatieve bedrijfsresultaat achteraf verandert hier niets aan.

De Raad ziet geen aanleiding om het besluit te herzien en wijst het beroep af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak wordt bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van het verzoek om bijstandsuitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

03/6590 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 20 november 2003, reg.nr. 03/957 NABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 26 oktober 2005, waar partijen - met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Gelet op de gedingstukken gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten.
Appellant en zijn echtgenote ontvingen van gedaagde tot 10 november 1999 algemene bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (hierna: Abw). Tot die datum heeft gedaagde appellant en zijn echtgenote als zelfstandigen in de Abw gedoogd; zij ontvingen echter geen bijstand als zelfstandigen.
Nadat was gebleken dat appellant over het jaar 1999 een negatief bedrijfsresultaat van f 9.829,-- had behaald, heeft appellant gedaagde op 15 augustus 2000 verzocht over het jaar 1999 een bedrag aan algemene bijstand van f 6.709,-- (het negatieve bedrijfsresultaat verminderd met de door appellant en zijn echtgenote over het jaar 1999 genoten fiscale zelfstandigenaftrek van f 3.120,--) na te betalen.
Bij besluit van 20 december 2002, in bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 maart 2003, heeft gedaagde het verzoek van appellant afgewezen. Gedaagde heeft aan zijn besluitvorming onder meer ten grondslag gelegd dat appellant gedurende de in geding zijnde periode niet heeft verkeerd in bijstandbehoevende omstandigheden.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het door appellant tegen het besluit van 18 maart 2003 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd leidt de Raad niet tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak niet in stand dient te blijven.
Tot 10 november 1999 hebben appellant en zijn echtgenote een volledige bijstandsuitkering ontvangen. Dit betekent dat zij gedurende de in geding zijnde periode niet in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerden. Dat, achteraf bezien, sprake is geweest van een negatief bedrijfsresultaat maakt dit niet anders. Met gedaagde en de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat reeds dit gegeven een toereikende grondslag vormt voor de afwijzing van het verzoek van appellant.
Hetgeen appellant voor het overige heeft aangevoerd behoeft gelet op het voorgaande geen bespreking door de Raad. Dat geldt ook voor de overige gedeelten van het besluit van 18 maart 2003 en van de aangevallen uitspraak.
De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert en mr. H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.H. Polderman-Eelderink als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 december 2005.
(get.) Th.G.M. Simons.
(get.) A.H. Polderman-Eelderink.
HE/24115