ECLI:NL:CRVB:2005:AU9003

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 december 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05-1360 AWBZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.I. ’t Hooft
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Bijdragebesluit ZorgArt. 10 Bijdragebesluit ZorgArt. 14 Bijdragebesluit Zorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van hoge eigen bijdrage op grond van het Bijdragebesluit Zorg

Appellant, die vanwege een dwarslaesie was opgenomen in een revalidatiecentrum en later in een zorgcentrum, werd geconfronteerd met een hoge eigen bijdrage op grond van het Bijdragebesluit Zorg. Hij stelde bezwaar tegen deze bijdrage omdat hij vond dat gemaakte kosten voor de aanschaf en inrichting van een nieuwe woning ten onrechte niet in mindering waren gebracht.

De rechtbank had het bezwaar ongegrond verklaard en deze uitspraak werd door appellant aangevochten in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad overwoog dat het Bijdragebesluit een uitputtende regeling bevat omtrent aftrekposten op het bijdrageplichtig inkomen, en dat de door appellant gemaakte kosten niet als aftrekpost zijn opgenomen.

De Raad bevestigde dat gedaagde de eigen bijdrage correct heeft vastgesteld en wees het beroep van appellant af. Tevens werd opgemerkt dat gedaagde bereid was de aflossingsperiode van de achterstand in betaling te verlengen van drie naar zeven jaar. De Raad wees een veroordeling in proceskosten af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot oplegging van de hoge eigen bijdrage en wijst het hoger beroep van appellant af.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
05/1360 AWBZ
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
OWM Agis Zorgverzekeringen u.a., als rechtsopvolger van OWM ANOVA Zorgverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 17 januari 2005, reg.nr. 03/2585.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft op dit verweerschrift schriftelijk gereageerd en nadere stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 16 november 2005, waar appellant - met bericht - niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door C.C.J. Splint, werkzaam bij OWM Agis Zorgverzekeringen u.a.
II. MOTIVERING
Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten, de toepasselijke regelgeving en de standpunten van partijen in eerste aanleg verwijst de Raad, mede gelet op de inhoud van de gedingstukken, naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.
Appellant is in verband met een dwarslaesie vanaf 19 maart 2001 tot 24 september 2001 opgenomen geweest in revalidatiecentrum Hoogstraat te Utrecht. Gedurende dit verblijf is appellant op grond van artikel 14 van Pro het Bijdragebesluit Zorg (hierna: Bijdragebesluit) de zogeheten lage eigen bijdrage opgelegd.
Op 24 september 2001 is appellant overgeplaatst naar zorgcentrum Rosendael en is bij hem een inkomensonderzoek verricht. Vervolgens is appellant bij besluit van 24 januari 2002 meegedeeld dat hij ingevolge artikel 4, aanhef en onder 1, van het Bijdragebesluit met ingang van 24 september 2001 een (hoge) eigen bijdrage is verschuldigd van € 399,49 per maand. Blijkens het bij dit besluit gevoegde berekeningsoverzicht heeft gedaagde bij de vaststelling van die eigen bijdrage een bedrag van € 4.481,68 aan revalidatiekosten op het bijdrageplichtig inkomen in mindering gebracht.
Bij besluit van 3 maart 2003 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 24 januari 2002 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 3 maart 2003 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich tegen deze uitspraak gekeerd. Hiertoe heeft appellant ook in hoger beroep onder meer aangevoerd dat bij de vaststelling van de hoge eigen bijdrage ten onrechte geen rekening is gehouden met kosten die appellant heeft gemaakt teneinde zijn terugkeer naar zelfstandig wonen mogelijk te maken.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Gelet op de in het Bijdragebesluit opgenomen bepalingen ter zake van de vaststelling van de eigen bijdrage, en met name op het bepaalde in artikel 10, eerste en tweede lid, van het Bijdragebesluit waarin is omschreven welke kosten in verband met terugkeer naar de maatschappij na verblijf in de instelling of het verzorgingshuis op de inkomsten in mindering worden gebracht, onderschrijft de Raad de in de aangevallen uitspraak neergelegde beslissing van de rechtbank. Daaraan voegt de Raad toe dat, zoals de Raad reeds in zijn uitspraak van 16 april 1999 (LJN AA8592) heeft overwogen, in het Bijdragebesluit een strak omlijnde en uitputtende regeling is gegeven, niet alleen met betrekking tot wat onder het bijdrageplichtig inkomen valt, maar ook met betrekking tot wat daarvan is uitgezonderd dan wel wordt toegestaan als aftrekpost. Nu de door appellant gemaakte kosten ter zake van de aanschaf van zijn nieuwe woning en de inrichting daarvan niet als aftrekpost in artikel 10 of Pro in een van de overige bepalingen van het Bijdragebesluit is opgenomen heeft gedaagde, mede gelet op het feit dat in het Bijdragebesluit een hardheidclausule ontbreekt, die kosten terecht niet op het bijdrageplichtig inkomen van appellant in mindering gebracht.
De Raad is voorts niet gebleken dat gedaagde de hoogte van de opgelegde hoge eigen bijdrage op onjuiste wijze heeft berekend.
In hetgeen overigens door appellant is aangevoerd, ziet de Raad geen grond om tot een ander oordeel te komen.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
Ter zake van de voor appellant ontstane achterstand in de betaling van de door hem verschuldigde hoge eigen bijdrage merkt de Raad overigens op dat gedaagde zich ter zitting - desgevraagd - bereid heeft verklaard om de aflossingsperiode van die schuld te verruimen van drie naar zeven jaar.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. M.I. ’t Hooft, in tegenwoordigheid van S.M.A. School als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 december 2005.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) S.M.A. School.