ECLI:NL:CRVB:2005:AU9068
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Afwijzing nabestaandenuitkering wegens ontbreken gezamenlijke huishouding op overlijdensdatum
Appellante had een relatie met haar partner met wie zij in september 2000 zou trouwen. Kort voor het huwelijk verliet de partner de gezamenlijke woning en woonde hij bij zijn moeder. De huwelijksvoltrekking werd geannuleerd en de partner pleegde zelfdoding op 19 september 2000. Appellante vroeg een nabestaandenuitkering aan op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW), maar deze werd afgewezen omdat zij niet als nabestaande werd beschouwd.
De rechtbank stelde vast dat appellante en haar partner geen gezamenlijke huishouding voerden op het moment van overlijden, aangezien de partner de woning ruim een maand eerder had verlaten en niet was teruggekeerd. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de relatie en de gezamenlijke huishouding hersteld zouden zijn als haar partner niet was overleden, maar de Raad oordeelde dat dit niet objectief kon worden vastgesteld.
De Raad benadrukte dat de feitelijke situatie bepalend is voor het begrip gezamenlijke huishouding en dat een tijdelijke onderbreking alleen wordt geaccepteerd als deze kennelijk tijdelijk is, wat hier niet het geval was. Daarom kan appellante niet worden aangemerkt als nabestaande in de zin van de ANW en is de afwijzing van de uitkering terecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de nabestaandenuitkering omdat appellante niet als nabestaande kan worden aangemerkt wegens het ontbreken van een gezamenlijke huishouding op het moment van overlijden.