ECLI:NL:CRVB:2006:AU9087
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Vernietiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering en nader onderzoek vereist
Appellant, voormalig productiemedewerker, werd de WAO-uitkering geweigerd omdat hij na de wettelijke wachttijd van 52 weken minder dan 15% arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid door de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige juist was.
In hoger beroep betoogde appellant dat zijn beperkingen ernstig waren onderschat en onvoldoende werden meegewogen bij de functie-indeling. De Raad concludeerde dat het medisch oordeel over de belastbaarheid juist was, maar dat het UWV het bestreden besluit onvoldoende had gemotiveerd, met name omtrent de geschiktheid van de functie medewerker afdeling panklaar, die hoge eisen stelt aan hand- en vingergebruik.
De Raad oordeelde dat nader onderzoek naar deze functie passendheid noodzakelijk was, omdat deze functie mede bepalend is voor de resterende verdiencapaciteit van appellant. Daarom vernietigde de Raad het besluit en de uitspraak van de rechtbank en beval een nieuw besluit op bezwaar. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot weigering van de WAO-uitkering wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.